ECLI:NL:GHAMS:2015:5014
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing klacht gerechtsdeurwaarder
Klaagster diende een klacht in tegen een gerechtsdeurwaarder die door de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Tegen deze beslissing tekende zij verzet aan, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Klaagster stelde vervolgens hoger beroep in bij het hof.
Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het hoger beroep en oordeelde dat artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet een appelverbod bevat tegen beslissingen van de kamer op verzet. Dit verbod kan alleen worden doorbroken bij schending van fundamentele procesbeginselen of andere uitzonderlijke gronden.
Klaagster voerde aan dat sprake was van schending van onpartijdigheid en het recht op een rechtmatige rechtsgang, onder verwijzing naar het EVRM en het Handvest van de Grondrechten van de EU. Ook klaagde zij over het ontbreken van proces-verbaal van zittingen en vermeende bewijsverduistering.
Het hof verwierp deze stellingen, stelde vast dat geen proces-verbaal werd opgemaakt omdat partijen niet verschenen, en dat de wrakingskamer terecht geen mondelinge behandeling hield. De verzoeken tot vervroeging van de uitspraak en de wraking rechtvaardigden geen twijfel aan onpartijdigheid. Hierdoor was geen reden om van het appelverbod af te wijken.
Het hof verklaarde klaagster daarom niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en bevestigde de eerdere beslissing van de kamer.
Uitkomst: Klaagster is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de afwijzing van haar klacht tegen de gerechtsdeurwaarder.