Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1],
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak ging het om de vraag of artikel 7:258 BW Pro, dat regels bevat over all-in huurprijzen bij woonruimte, van toepassing is op een huurovereenkomst waarbij partijen het Britse recht hadden gekozen. [Geïntimeerden] verhuurden een woning aan [appellant] tegen een all-in huurprijs van €1.600 per maand. [Appellant] betoogde dat de Nederlandse regeling van toepassing was en vorderde een uitsplitsing van de huurprijs.
De kantonrechter oordeelde dat de rechtskeuze voor het Britse recht geldig was en dat de Huurcommissie niet bevoegd was om artikel 7:258 BW Pro toe te passen. Het hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat de rechtskeuzevrijheid van partijen niet werd beperkt door artikel 3 lid 3 van Pro Rome I, omdat er voldoende aanknopingspunten met het Verenigd Koninkrijk waren.
Verder stelde het hof vast dat artikel 7:258 BW Pro niet als een bepaling van bijzonder dwingend recht kan worden aangemerkt die de rechtskeuze kan doorbreken, omdat de regeling slechts privaatrechtelijke belangen tussen partijen betreft en geen zwaarwegende algemene Nederlandse belangen raakt.
Het hof verwierp ook het verweer dat sprake was van een consumentenovereenkomst en oordeelde dat de verhuur niet bedrijfsmatig was. Het bestreden vonnis werd bekrachtigd en [appellant] werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het Nederlandse artikel 7:258 BW niet van toepassing is op de huurovereenkomst met Britse rechtskeuze.