Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
€ 21.342,60 voldaan.
2.2. Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.4. Beoordeling van het geschil
Belanghebbende acht het oordeel van de rechtbank dat het vervoer door belanghebbende een ondergeschikt of bijkomstig onderdeel van de activiteiten van belanghebbende is en dat het tonen van de gemeentelijke karakteristieken de boventoon voert onjuist. Volgens belangheb-bende zijn die karakteristieken er nu eenmaal en vaart zij er “slechts” langs; het ‘vervoer-aspect’ staat voorop en er is geen sprake van het geven van een vermakelijkheid.
4.4.1. Belanghebbende stelt tevens dat heffing van haar van vermakelijkheidsretributie in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder de in het kader van dat beginsel ontwikkelde meerderheidsregel. Daartoe heeft belanghebbende een groot aantal gegevens overgelegd betreffende volgens haar rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen waarin heffing achterwege is gebleven.
bij een andere exploitant (…) in de heffing zijn betrokken;
bepaalde of afgesproken route) die niet in hoofdzaak zijn gericht op het tonen van
specifieke gemeentelijke karakteristieken als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
de Verordening op de vermakelijkheidsretributie te water.
Die situatie doet zich ook voor als een belanghebbenden die zich op de meerderheidsregel beroept aan het bestuursorgaan alle benodigde gegevens inzake rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen heeft verstrekt waaruit volgt dat te weinig belasting is betaald en op grond waarvan tot naheffing kan worden overgegaan, waarna het bestuursorgaan niettemin naheffing achterwege laat.”
in hoofdzaakgaat om ‘het tonen van gemeentelijke karakteristieken’.
De omstandigheid dat belanghebbende zich bij de waarneming van mogelijke retributie-plichtigen gehinderd acht door een gebrek aan handhaving van het Binnenvaartpolitieregle-ment leidt niet tot een ander oordeel. Dit eventuele gebrek kan niet aan de heffingsambtenaar worden toegerekend omdat de heffingsambtenaar niet bevoegd is het Binnenvaartpolitiere-glement te handhaven. Bovendien zou, indien dat reglement – anders dan belanghebbende stelt – wél voldoende werd gehandhaafd, dit niet, althans niet zonder meer, tot het door belanghebbende beoogde gevolg hebben geleid, aangezien – zoals ook blijkt uit artikel 2.01 en 2.02 van het Binnenvaartpolitiereglement – er geen verplichting geldt om ook naam en woonplaats van de eigenaar op de buitenzijde van een vaartuig te vermelden. Ook bij een (meer) optimale handhaving van het Binnenvaartpolitiereglement zou het relateren van waarnemingen (foto’s) van vaartuigen aan individuele subjecten niet zonder nadere informatie mogelijk zijn.
4.7.4. Het Hof verwijst in dit verband voorts naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 4.7 van haar uitspraak en maakt deze overweging tot de zijne.
Deze veronderstelling vindt bevestiging in hetgeen ter zitting van het Hof van 14 oktober 2015 desgevraagd door [F] is verklaard. Van belang is voorts dat in de meeste gevallen die het hier betreft de heffingsambtenaar concreet heeft aangegeven welke exploitant/eigenaar van rondvaartboten door de bemiddelaar wordt ingeschakeld.
Zo al op grond van de tekst van de Verordening ook bij de bemiddelaar vermakelijkheidsretributie te water zou kunnen worden geheven – het Hof laat dit in het midden – , dan heeft de heffingsambtenaar er naar het oordeel van het Hof in redelijkheid voor kunnen kiezen de bemiddelaars buiten de heffing te laten, nu de heffing ter zake van de ‘bemiddelde’ passagiers overigens reeds geschiedt of kan geschieden bij de uitvoerende exploitant en een redelijke toepassing van de Verordening vergt dat ter zake van dezelfde passagiers per dezelfde rondvaart niet meer dan één keer vermakelijkheidsretributie te water wordt gegeven. Ook in dit opzicht zijn de bemiddelaars niet met belanghebbende op één lijn te stellen.
Deel 1 van de lijst – door belanghebbende ook aangeduid als ‘lijst 1’ – bevat alle gevallen die volgens belanghebbende voldoen aan de uitgangspunten die onder 2 en 3 in de brief van het Hof zijn geformuleerd. Per geval is – voor zover mogelijk en beschikbaar – documentatie bijgevoegd ter beantwoording van de onder 5.1 van de brief van het Hof gestelde vragen.
In door belanghebbende bij voormelde brief overgelegde ordners 1A en 1B is documentatiemateriaal bijgevoegd.
Deel 2 van de lijst bevat gevallen die reeds zijn vermeld in deel 1 van de lijst en waarvan belanghebbende beschikt over specifiek aanvullend documentatiemateriaal (deze gevallen zijn in deel 1 van de lijst gemarkeerd). Dit aanvullende documentatiemateriaal omvat onder meer foto’s van vaartuigen die tot individueel te benoemen subjecten herleidbaar zijn, alsmede prints van websites waarop reviews, opgesteld door passagiers, zijn vermeld.
Dit (aanvullende) documentatiemateriaal is (ook) gevoegd bij het documentatiemateriaal van lijst 1 en is eveneens opgenomen in de ordners 1A en 1B. Aangezien belanghebbende niet voor alle gevallen over dit aanvullende bewijsmateriaal beschikt, heeft zij ervoor gekozen om dit materiaal nogmaals en afzonderlijk in een ordner (ordner 2) op te nemen. De gevallen die het hier betreft zijn in deel 2 van de lijst vermeld en een gedeelte van de aanvullende informatie is hierop gespecificeerd.
Voorts kan het bijvoorbeeld zijn dat aanvankelijk sprake was van een eenmanszaak waarvan de activiteiten later zijn voortgezet als rechtspersoon. Soms is thans geen informatie in Companyinfo beschikbaar hetgeen erop kan duiden dat geen inschrijving in de KvK (meer) bestaat. Dit betekent niet dat in het belastingtijdvak geen rondvaarten zijn uitgevoerd.
Het Hof zal de heffingsambtenaar hierin niet volgen, omdat de brief van het Hof de door de heffingsambtenaar voorgestane beperking niet noodzakelijk met zich meebrengt en omdat er overigens voldoende gelegenheid is geweest om ook op die dertien gevallen te reageren.
In deze brief is vermeld dat de heffingsambtenaar de door belanghebbende bij haar brief van 19 januari 2015 overgelegde ordners bij het Hof heeft ingezien. Volgens de heffingsambtenaar bestaat het merendeel van de informatie in die ordners uit advertenties die niet zien op het eerste kwartaal 2011. Voorts zijn foto’s ingebracht van vaartuigen die volgens de heffingsambtenaar veelal niet zijn te relateren aan individuele subjecten en/of het eerste kwartaal van 2011.
Het betreft subjecten van de zogenaamde ‘Waternetlijst’ en deze is samengesteld op grond van op internet getraceerde advertenties. Er liggen geen daadwerkelijke constateringen op het water aan ten grondslag. Een advertentie is nog geen bewijs dat er illegaal op het Amsterdamse water wordt gevaren. (…) Daar komt bij dat het merendeel van de advertenties van internet waarop de aanschrijvingen van Waternet zijn gebaseerd grotendeels van na het eerste kwartaal 2011 dateren. De gemeente Amsterdam, Belastingen doet nog steeds onderzoek naar verschillende subjecten op de Waternetlijst. (…) Van veel subjecten op de Waternetlijst ontbreken de benodigde gegevens om tot identificatie van het subject over te kunnen gaan. (…) Voorts behoren deze subjecten (…) niet tot de vergelijkingsgroep, aangezien [het] bij deze subjecten niet gaat om rondvaart als gedefinieerd in de Verordening.”
Subsidiair behoren volgens de heffingsambtenaar tot de vergelijkingsgroep 28 gevallen die reeds in de heffing zijn betrokken.
Ten aanzien van een aantal gevallen heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat nog nader onderzoek naar eventuele belastingplicht wordt verricht, zonder dat bij het sluiten van het onderzoek bekend was wat de afloop van dat onderzoek was. Het Hof zal deze gevallen veronderstellenderwijs als gevallen beschouwen die behoren tot de groep waartoe ook belanghebbende behoort.
Tot deze categorie I behoren de volgende subjecten:
41, 45, 46, 49, 51, 52, 53, 55, 61, 62, 70, 73, 74, 82, 86, 88, 96, 99, 101, 102, 103, 104, 106, 107, 108, 112, 157, 166, 170, 171, 172, 173, 176, 180, 182, 183, 185, 186, 187, 188, 191 en 192.
Het betreft hier in totaal 42 gevallen.
36 (+ I), 40, 42, 44 (+ I), 47, 48, 56, 59, 64, 66, 68 (+ I), 72, 78, 79 (+ I), 80, 81, 87, 90, 94, 95 (+ I), 105 (+ I), 124, 150 (+ I), 160, 165 en 194 (+ I).
Het betreft hier in totaal 26 gevallen.
43, 60 en 83. Het betreft hier in totaal drie gevallen.
85 (+ I), 89 (+ I), 112, 113 (+ I), 115 (+ I + V), 117 (+ V), 119 (+ I + V), 121 (+I), 125 (+ I), 127 (+ I), 129 (+ I), 130 (+ I), 133 (+ I), 136 (+ I), 137 (+ V), 138, (+ I), 140, 142 (+ I), 143 (+ I), 144 (+ V), 149, 151 (+ V), 156, 158, 167 (+ I), 169 (+ I), 178 en 181 (+ I).
Het betreft hier in totaal 28 gevallen.
77, 100 (+ IV), 104, 111 (+ I), 114 (+ IV), 116 (+ I), 120 (+ IV), 122, 134 (+ I), 145 (+ I), 147 (+ I), 154, 162 (+ I), 163 (+ I), 177 (+ I), 178 (+ I), 189 en 193.Het betreft hier in totaal 18 gevallen.
.