Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere verloop van het geding
2.De verdere beoordeling
“Ik ben sinds 1973 getrouwd met dhr. [X] . Voor mijn huwelijk werkte ik als verpleegkundige, daarna heb ik nooit meer gewerkt. Ik had sindsdien dus ook geen inkomsten. Ik kreeg van mijn man huishoudgeld. Verder was het zo dat als ik aangaf dat ik iets nodig had, hij zorgde dat het werd aangeschaft. Echt overleg over de financiën hadden wij niet. Als mijn man iets wilde kopen dan deed hij dat, daar had ik geen inspraak in. Zelf had ik mijn pensioenaanspraken verzilverd voordat ik trouwde, wat mijn man voor pensioen geregeld heeft weet ik niet, dat bespraken wij niet. Wij hebben vijf kinderen, van wie er een paar gestudeerd hebben. Mijn man heeft die studie betaald, ook op dat punt heb ik mij met de financiën niet bemoeid. Toen ik trouwde had mijn man een huis, dat stond alleen op zijn naam. Dat huis is verkocht en wij hebben toen een tijd in een huurhuis gewoond. Rond 2000 hebben wij een nieuw huis gekocht. Ik weet eigenlijk niet of dat op naam van ons allebei staat of niet. Wij hebben daarvoor geen geld bij de bank hoeven lenen, de familie aan beide kanten heeft ons geld beschikbaar gesteld. Aan mijn kant van de familie heb ik daarover gesproken met mijn zus, die toen de financiën van mijn ouders deed.
Aan het voorgaande kan niet afdoen dat [appellante] en [X] niet geheel gelijkluidend hebben verklaard over het moment van wetenschap. Volgens [X] heeft hij zijn echtgenote geïnformeerd nadat hij juridische bijstand had gezocht bij Leaseproces. Dat [X] heeft verklaard dat hij denkt dat dit in 2004 is geweest terwijl [appellante] heeft verklaard dat zij denkt dat het in september 2005 is geweest maar dat zij niet zeker is van de maand noch het jaar is, naar oordeel van het hof geen aanleiding om de door de echtelieden onder ede afgelegde getuigenverklaringen als ongeloofwaardig te duiden, te meer nu het gaat om gebeurtenissen van meer dan 10 jaar geleden. Ten slotte maakt ook het door Dexia gestelde telefonische contact tussen haar en [appellante] dit niet anders, alleen al niet omdat niet is komen vast te staan dat dit contact daadwerkelijk met [appellante] zelf heeft plaatsgevonden. Dexia heeft verder geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat haar beroep op verjaring desondanks opgaat.