Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
STICHTING INTERCONFESSIONEEL BEROEPSONDERWIJS
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Feiten
1. De huidige leden van het College van Bestuur ontvangen een vast salaris. Uitgangspunt hierbij is 140.000 euro voor de voorzitter (…). De indexering van de CAO-BVE is van toepassing.
(…)
5. Ten aanzien van nevenfuncties is er een schriftelijke meldplicht van de leden van het College van Bestuur. De Commissie gaat al dan niet akkoord met deze nevenfuncties, waarbij van belang is of deze voortvloeien uit de hoofdfunctie, dan wel dat deze daar niet aan zijn gerelateerd. Bij deze beslissing worden de financiële consequenties nader besproken en door de commissie vastgesteld.
6. Een lid van het College van Bestuur kan op 58-jarige leeftijd met pensioen gaan, op verzoek van betrokkene of op verzoek van de Raad van Toezicht. Hierbij wordt een inkomen, in aanvulling op de standaard FPU-regeling, van het laatstgenoten salaris gegarandeerd volgens hiernavolgende percentages en waarbij de pensioenopbouw doorloopt. Bij 58 jaar: 70%, bij 59 jaar: 75 % en bij 60 en 61 jaar: 80 %, tot de pensioengerechtigde leeftijd. De indexering van de CAO-BVE is van toepassing. Ter verwerking van de ter beschikking gestelde lease-auto geldt een bijtelling van de wettelijke norm (2004:22%) van de cataloguswaarde van de lease-auto (ca. 50.000 euro). (…) Indien betrokkenen van deze regeling gebruik maakt kan het totale inkomen nooit meer bedragen dan 100% van het laatstgenoten salaris. Indien zich de situatie zou voordoen dat betrokkenen meer verdient, dan zal over het meerdere met de werkgever overeenstemming moeten worden bereikt. Deze regeling geldt voor de thans zittende leden van het College van Bestuur.
1. [appellant], die thans voorzitter is van het College van Bestuur van ROC ASA, zal per 1 augustus 2004 als voorzitter en lid aftreden en tot 1 augustus 2005 specifieke werkzaamheden uitvoeren.
2. Op 31 juli 2005 zal [appellant] gebruik maken van de mogelijkheid om met pensioen te gaan.
1. ROC ASA verbindt zich om, uiterlijk in juli 2005, [appellant] middelen ter beschikking te stellen om hem in staat te stellen tot opbouw van een oudedagsvoorziening die ingaat op zijn 65-jarige leeftijd met daaraan gekoppeld de gebruikelijke regeling voor nabestaandenpensioen.
2. Deze oudedagsvoorziening zal overeen dienen te komen met het pensioen dat [appellant] zou hebben opgebouwd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds indien hij tot zijn 65-jarige leeftijd bij ROC ASA als voorzitter van het College van Bestuur in dienst zou zijn gebleven.
3. Het is ter keuze aan [appellant] bij welke solide in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij deze oudedagsvoorziening wordt ondergebracht.
Artikel 5. Neveninkomsten
1. Indien [appellant] gedurende de looptijd van deze overeenkomst door werkzaamheden inkomsten geniet kan zijn totale inkomen uit werkzaamheden of onderneming met inbegrip van het pensioen dat hem in het kader van deze overeenkomst wordt uitgekeerd niet meer bedragen dan het salaris, waaronder begrepen de compensatie voor het gemis van de ter beschikking gestelde auto, waarop hij recht zou hebben gehad indien hij tot zijn 65-jarige leeftijd voorzitter van het College van Bestuur van ROC ASA zou zijn gebleven (het “Referentie-inkomen”).
2. [appellant] zal ROC ASA jaarlijks voor 1 juli een opgaaf doen van zijn inkomsten uit werkzaamheden.
3. Indien het totale inkomen als bedoeld in lid 1 in enig jaar hoger is dan het Referentie-inkomen wordt het meerdere voor 1 juli van het daaropvolgende jaar terugbetaald aan ROC ASA. Bij deze wordt vastgesteld dat deze terugbetalingsverplichting onvoorwaardelijk is.
1. Het bedrag dat volgens de Regeling benodigd is om te voldoen aan de aan [appellant] gegarandeerde (vroeg)pensioenuitkering en –opbouw vanaf 31 juli 2007 zal voor het einde van 2005 door ROC ASA worden gestort op een ten behoeve van [appellant] af te sluiten pensioenpolis (een zogenoemde “C-polis”)
2. De storting zal geschieden bij een door [appellant] aan te wijzen solide in Nederland gevestigde levensverzekeringmaatschappij.
3.Beoordeling
grieven I tot en met VIIIin principaal appel aan de orde gesteld. Het hof zal die grieven hierna bespreken. Hier volstaat de vaststelling dat de stichting op grond van loonbetalingsverplichtingen behoudens beroep op verrekening verschuldigd is het bedrag van € 68.890,78 bruto en € 12.210,32 netto.
grief XI.
waarbij de pensioenopbouw doorloopt” heeft betrekking op een verplichting om het pensioen in dezelfde mate te blijven opbouwen als dat voorheen, toen het ouderdomspensioen nog niet was ingegaan, was toegezegd. De verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 4 van Pro de overeenkomst van 23 juni 2004 vormen daarvan de concrete uitwerking.