Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 2voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zou hebben nagelaten aan te geven welke specifieke bepalingen van de Wet persoonsregistratie jegens hem zouden zijn geschonden en dat hij in zoverre de vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd. [appellant] verwijst naar hetgeen hij in grief 1 heeft toegelicht omtrent het onrechtmatig handelen van Srlev en specificeert dat artikel 11 Wet Pro persoonsregistratie bepaalt dat uit een persoonsregistratie slechts gegevens aan een derde worden verstrekt, voor zover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie dan wel wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift of geschiedt met toestemming van de geregistreerde. Aan die vereisten is niet voldaan. Artikel 9 van Pro diezelfde wet doet alsdan een schadevergoedingsverplichting ontstaan. Ook op grond van onrechtmatige daad is Srlev gehouden tot schadevergoeding, aldus steeds [appellant].
De in de tenlastelegging omschreven oplichtingshandelingen zijn, blijkens de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, allemaal verricht door [K], die daarvoor ook onherroepelijk veroordeeld is. De verdachte heeft het onderzoeksbureau van [K] op regelmatige basis onderzoeksopdrachten verleend. Het enkele feit dat [K] in de jaren negentig enige tijd in dienst is geweest van de verdachte (…) levert onvoldoende bewijs op dat de verdachte op de hoogte was van het feit dat [K] ook in de tenlastegelegde periode op een onwettige manier informatie verkreeg of trachtte te verkrijgen. Daarbij komt dat [K] ter terechtzitting in hoger beroep zelf heeft verklaard dat hij zijn opdrachtgevers niet - ook niet achteraf - op de hoogte stelde van de door hem gehanteerde methode en het in casu gaat om opdrachten zoals die in het economisch verkeer dagelijks voorkomen en waarbij de opdrachtgever er vanuit mag gaan dat onderzoeken in overeenstemming met de wet en regelgeving verricht worden.