Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Beoordeling
.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak gaat het om een incidentele vordering van appellant tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van een vonnis en subsidiair tot zekerheidstelling. De hoofdzaak betreft een betalingsvordering van geïntimeerde tegen appellant voor geleverde diamanten en kostbaarheden.
De rechtbank had appellant veroordeeld tot betaling van ruim € 198.000 plus rente en kosten, uitvoerbaar bij voorraad. Appellant stelt dat in hoger beroep nieuwe feiten en een verklaring van een vertegenwoordiger aantonen dat hij minder verschuldigd is en dat er een tegenvordering bestaat wegens niet-conforme leveringen. Tevens wijst appellant op het restitutierisico vanwege de buitenlandse vestiging van geïntimeerde in Turkije, waar geen verdrag is voor erkenning en executie.
Het hof oordeelt dat schorsing van de uitvoerbaarverklaring slechts bij misbruik van executiebevoegdheid mogelijk is, wat niet is gebleken. Wel is het restitutierisico aanzienlijk, zodat het hof de subsidiaire vordering toewijst en zekerheidstelling door geïntimeerde beveelt. Deze zekerheid kan worden gesteld via een geblokkeerde derdengeldenrekening of bankgarantie totdat het eindarrest in de hoofdzaak is gewezen.
De proceskosten in het incident worden aangehouden tot het eindarrest. De hoofdzaak wordt verwezen voor het nemen van een memorie van grieven door appellant. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 17 november 2015.
Uitkomst: De primaire vordering tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring wordt afgewezen, maar geïntimeerde moet zekerheid stellen bij tenuitvoerlegging van het vonnis.