Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[X],
Gerechtshof Amsterdam
De werknemer was sinds 2006 in dienst bij de bank en vertrok met wederzijds goedvinden per 1 juni 2014 na een klacht over het raadplegen van salarisgegevens van een collega. Na zijn vertrek solliciteerde hij bij een andere bank, die een integriteitsverklaring van de voormalige werkgever verlangde. De bank weigerde deze verklaring te verstrekken, waarna de sollicitatie werd afgewezen.
De werknemer stelde dat de vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder dwaling was gesloten, mede omdat hij niet op de hoogte was van het feit dat de bank geen integriteitsverklaring zou afgeven. Het hof oordeelde dat de werknemer onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat een integriteitsverklaring een conditio sine qua non was voor het sluiten van de overeenkomst en verwierp het beroep op dwaling.
Desondanks concludeerde het hof dat de bank onrechtmatig had gehandeld door de integriteitsverklaring te weigeren, gelet op de beperkte ernst van de gedragingen van de werknemer en de gemaakte afspraken over geheimhouding. Het hof veroordeelde de bank tot het afgeven van de verklaring bij toekomstige verzoeken en tot betaling van een voorschot op schadevergoeding voor de periode tot de werknemer een nieuwe werkkring vond.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis en deed opnieuw recht, waarbij iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: De bank is veroordeeld tot afgifte van een integriteitsverklaring bij toekomstige verzoeken en tot betaling van een voorschot op schadevergoeding aan de werknemer.