In hoger beroep is de verdachte terechtgesteld voor poging tot diefstal in vereniging met braak in een tabakswinkel te Driehuis op 12 maart 2015. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de kinderrechter en hanteerde een andere bewijsconstructie.
De bewijsvoering berustte op getuigenverklaringen, politieconstateringen en aangetroffen inbrekersgereedschap waaronder een torxschroef die overeenkwam met het slot van de winkel. De verdachte werd kort na de poging in de nabijheid van de winkel in een auto met een mededader aangehouden.
De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was voor betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot inbraak, maar het hof achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de Amsterdamse oriëntatiepunten voor straftoemeting jeugd. De verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, met een voorwaardelijke jeugddetentie van 40 dagen en aftrek van voorarrest.