Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Loop van het geding na verwijzing
3.Tussen partijen vaststaande feiten
4.Het verwijzingsarrest
2. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende kreeg voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen en boetes opgelegd die zij betwistte. Na bezwaar en beroep vernietigde de rechtbank de aanslagen en boetes deels, waarna het gerechtshof te ’s-Gravenhage de zaak behandelde en een immateriële schadevergoeding van €2.000 toekende wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad vernietigde dit deel van het vonnis en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, met name over de vergoeding van immateriële schade. Na verwijzing was het geschil de hoogte en berekening van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de beroeps- en hoger beroepsfase.
Het Hof oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel jegens de Raad voor de Rechtspraak faalt, omdat geen toezegging of recht op vergoeding was gegeven. De overschrijding van de redelijke termijn werd vastgesteld op 7 maanden in eerste aanleg en 8 maanden in hoger beroep, wat leidt tot een vergoeding van in totaal €2.000. Tevens werden proceskosten van €837 aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €2.000 immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de inspecteur tot vergoeding van €837 proceskosten.