Belanghebbende, een vennootschap die op 29 maart 2010 door de Kamer van Koophandel werd ontbonden, kreeg op 6 januari 2007 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd over het boekjaar 1 december 2001 tot en met 31 augustus 2002. Na bezwaar en een niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen deze beslissing.
Het geschil betrof de ontvankelijkheid van het hoger beroep en het beroep zelf, waarbij de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had verklaard omdat belanghebbende na ontbinding geen rechtshandelingen meer zou kunnen verrichten. Het Hof oordeelde echter dat belanghebbende aanspraak maakt op een bate in de vorm van een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig opgelegde navorderingsaanslag, waardoor het beroep ontvankelijk had moeten worden verklaard.
Het Hof stelde vast dat de termijn voor hoger beroep pas begon te lopen bij correcte bekendmaking aan belanghebbende, wat niet eerder dan 3 september 2014 was gebeurd. Het hoger beroep was daarom tijdig ingesteld. De zaak werd vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.