ECLI:NL:GHAMS:2016:1497
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken van gronden bij tussentijdse beëindiging schuldsanering
Appellante [X] ging in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van haar tussentijds beëindigde. Het beroepschrift bevatte echter geen concrete gronden, slechts een algemene onenigheid met de beslissing. Tijdens de zitting erkende de advocaat van [X] dat geen gronden waren geformuleerd, en stelde dat een verzoek tot uitstel als grond moest worden beschouwd.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van gemotiveerde gronden in strijd is met de vereisten van artikel 359 juncto Pro 278 Rv, die een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden voorschrijven. De ingediende brieven en producties konden niet als gronden worden aangemerkt, mede omdat deze deels na de beroepstermijn waren ingediend en deels niet relevant waren.
Ook was er geen sprake van omstandigheden die het niet tijdig aanvoeren van gronden konden rechtvaardigen. Het subsidiaire verzoek tot heropening van de behandeling werd afgewezen omdat daarmee geen nieuwe gronden konden worden ingebracht. Het hof verklaarde appellant niet-ontvankelijk in haar hoger beroep en bevestigde daarmee de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Appellante is niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wegens het ontbreken van gemotiveerde beroepsgronden.