Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
zodat een eventueel door u in te stellen hoger beroep niet aan ontruiming in de weg staat.” [cursivering hof].
grieven 2 en 3bestrijdt [appellant] de overwegingen van de kantonrechter als hiervoor onder 3.3 weergegeven. Deze lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Volgens [appellant] heeft hij, anders dan de kantonrechter overweegt, niet erkend dat [B] met zijn toestemming in het gehuurde heeft verbleven in perioden waarin hij zelf (met zijn zoon) bij zijn moeder verbleef. [appellant] heeft zijn woning in 2013 af en toe verlaten om bij zijn moeder bij te tanken van al zijn psychische, relationele, financiële en andere problemen betreffende zijn zoon. Hij heeft nimmer zijn hoofdverblijf verplaatst naar de woning van zijn moeder. Het centrum van zijn leven speelde zich, ook in die periode, af in het gehuurde waar hij uiteindelijk meer sliep dan bij zijn moeder, aldus [appellant] . Hij heeft [B] , die ook problemen had, willen helpen door hem toe te staan af en toe in zijn woning te “schuilen”, dat wil zeggen te douchen, te eten en tv te kijken, maar niet om daar te slapen. [appellant] had met [B] afgesproken dat hij de reservesleutel bij de buurvrouw kon ophalen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [appellant] naar een door hem overgelegde Rapport van Bevindingen van de gemeente Amsterdam van 17 december 2013, waarin verslag is gedaan van een onaangekondigd gesprek met [B] , waarin die heeft verklaard dat hij in de woning logeert en niets hoeft te betalen en dat [appellant] in de woning woont. In het rapport is ook vermeld dat de benedenbuurvrouw heeft verklaard dat (onder meer) [appellant] in de woning woont, die zij af en toe ziet. Gezien de inhoud van dit rapport is het zonder nader onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van een getuigenverhoor, niet mogelijk de conclusie te trekken dat [appellant] zijn woning aan [B] in gebruik heeft gegeven, terwijl hij zelf bij zijn moeder verbleef. De kantonrechter heeft de verklaring van [appellant] dat (onder meer) [B] het gehuurde (‘uit eigen beweging’) heeft verlaten, ten onrechte in zijn nadeel uitgelegd. Hij heeft juist steeds betoogd dat [B] zonder zijn toestemming of medeweten in de woning is getrokken. Een vriend in nood in de eigen huurwoning ontvangen en die af en toe dan wel voor een korte periode laten overnachten, is niet een zodanig ernstige tekortkoming dat deze ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, aldus (nog steeds) [appellant] .