Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1betoogt De Berg dat de vaststelling onder 2.1 dat de drie zijramen in het appartement van [geïntimeerde] uitzien op het ernaast gelegen perceel [a-straat] [nr.1] , nuancering behoeft. Met hetgeen De Berg in dit verband heeft aangevoerd zal het hof bij de beoordeling rekening houden. De vaststelling zelf is echter juist.
Grief 2, die een uitbreiding van de feitenvaststelling bepleit, berust op een verkeerde lezing van het vonnis. Met
grief 5,die de vaststelling onder 2.7 van het bestreden vonnis betreft, bestrijdt De Berg dat haar alternatieve bouwplan betrekking had op een “extra” opbouw. Hoewel de rechtbank vermoedelijk niet heeft bedoeld vast te stellen dat het plan inhield dat meer dan een opbouw zou worden gerealiseerd, zal het hof deze vaststelling aanpassen.
Grief 6is gericht tegen de vaststelling onder 2.9 van het bestreden vonnis dat het alternatieve bouwplan voorzag in het optrekken van een blinde muur tot een hoogte van zeven meter. De Berg benadrukt dat de muur al aanwezig was en door haar slechts is verhoogd met 3,5 meter. Het hof zal ook de formulering van deze vaststelling aanpassen.
3.Beoordeling
grieven 3, 4, 9, 10, 11 en 12hebben betrekking op wijze waarop de rechtbank de door de opbouw in het leven geroepen feitelijke situatie heeft omschreven en gewaardeerd, uitmondend in het oordeel dat de opbouw een mate van hinder veroorzaakt, in de vorm van aanzienlijk verminderd woongenot, die [geïntimeerde] in beginsel niet hoeft te dulden.
alle(zon)licht heeft verloren. Dat de vermindering van de hoeveelheid (zon)licht aanzienlijk is heeft De Berg niet voldoende gemotiveerd bestreden. Het zal ongetwijfeld juist zijn dat ook de ter plaatse aanwezige boom (zon)licht wegneemt, maar waarom dat zou betekenen dat de verhoging van de muur voor [geïntimeerde] minder nadelig zou zijn, is onvoldoende toegelicht. Bovendien is het nadelige effect op de lichtinval bij een boom nog beperkt tot de periode van ongeveer de late lente tot het midden van de herfst en wordt die in zekere zin gecompenseerd door het – ook door [geïntimeerde] als zodanig ervaren – prettige uitzicht dat een boom biedt, hetgeen allemaal van een donkere bakstenen muur op 1,4 meter afstand niet kan worden gezegd.
grieven 7 en 8bestrijden de verwerping door de rechtbank van het door De Berg gedane beroep op door de onder 2.3 sub b. beschreven erfdienstbaarheid tot het hebben van uitzicht en vensters in afwijking van het bepaalde in artikel 695 (oud) BW (hierna: de erfdienstbaarheid van uitzicht).
grieven 13 en 14komt De Berg op tegen het oordeel van de rechtbank dat de geconstateerde hinder ook niet wordt gelegitimeerd door de aan De Berg verleende omgevingsvergunning.
grieven 16 en 17.