Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
5.Beslissing
4 september 2016;
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1985 te Irak gehuwd en hebben drie meerderjarige kinderen. Hun huwelijk is in 2014 ontbonden door een Nederlandse echtscheidingsbeschikking. Er is een geschil over de uitgestelde bruidsgave, die volgens Iraaks recht in twee delen is gesplitst: een direct betaalbaar deel en een deel dat bij echtscheiding opeisbaar is.
De vrouw stelt dat sprake is van een talaq (verstoting) waarbij de bruidsgave in goud moet worden gewaardeerd, terwijl de man betwist dat er sprake is van talaq en stelt dat het een tafriq echtscheiding betreft, waarbij alleen het nominale bedrag van 20.000 dinar verschuldigd is. Het hof oordeelt dat onvoldoende bewijs is geleverd voor talaq en gaat uit van tafriq.
Het hof acht zich echter onvoldoende voorgelicht over de vraag of bij tafriq ook een waardering in goud kan plaatsvinden en legt daarom meerdere vragen voor aan het Internationaal Juridisch Instituut. De zaak wordt aangehouden totdat het advies is ontvangen, waarna partijen de gelegenheid krijgen te reageren.
Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nader advies van het Internationaal Juridisch Instituut over de waardering van de uitgestelde bruidsgave bij tafriq echtscheiding onder Iraaks recht.