Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
2.2. [geïntimeerde] heeft met ingang van 1 juni 1996 van (de rechtsvoorganger van) Rock Beheer de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) gehuurd.
3.Beoordeling
Rock Beheer biedt voorts aan om door middel van een aantal met name genoemde getuigen te bewijzen dat [geïntimeerde] gedurende de bodemprocedure en de periode na het eindvonnis in het geheel niet in het gehuurde heeft verbleven (zie de nummers 69 en 70 memorie van grieven). Het hof passeert dit bewijsaanbod. De stelling dat [geïntimeerde] vanaf het moment van de dagvaarding in eerste aanleg, te weten 31 januari 2014, tot en met heden niet in het gehuurde heeft gewoond, komt uit de lucht komt vallen en is ook in het geheel niet onderbouwd. Bovendien heeft Rock Beheer enkele alinea’s boven dit bewijsaanbod nog gesteld dat [geïntimeerde] op 10 augustus 2015 in het gehuurde is gesignaleerd (nummer 67 memorie van grieven) en heeft zij onvoldoende duidelijk en kenbaar afstand genomen van haar standpunt in deze procedure dat [geïntimeerde] in de zomer steeds in het gehuurde verblijft. Nu Rock Beheer is tekortgeschoten in haar stelplicht, wordt niet toegekomen aan het onderhavige bewijsaanbod.