ECLI:NL:GHAMS:2016:2790

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 juli 2016
Publicatiedatum
14 juli 2016
Zaaknummer
200.182.097/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevolgen verhuizing voor vordering verwijdering bewakingscamera’s in burenruzie

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de verhuizing van de geïntimeerde invloed had op de toewijsbaarheid van zijn vordering tot verwijdering of verplaatsing van bewakingscamera’s die appellant had geplaatst. Partijen waren buren en in een langdurige burenruzie verwikkeld. De rechtbank had appellant veroordeeld tot aanpassing van de camera’s, maar appellant ging in hoger beroep.

Het hof stelde vast dat geïntimeerde op 25 november 2015 was verhuisd en vanaf die datum geen belang meer had bij de vordering. Omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat geïntimeerde al op 11 november 2015 was verhuisd, ging het hof ervan uit dat geïntimeerde toen nog in de buurt woonde. Het hof vernietigde daarom het vonnis voor de periode vanaf 25 november 2015 en wees de vordering af voor die periode.

Voor de periode tot 25 november 2015 bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank. De overige grieven van appellant faalden, onder meer omdat hij onvoldoende concreet bewijs aanvoerde dat de aanpassing van de camera’s de beveiliging had gereduceerd. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Vordering tot aanpassing camera’s afgewezen vanaf verhuizing geïntimeerde, verder bekrachtiging vonnis.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.182.097/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/223594/HA ZA 15-182
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 juli 2016 (bij vervroeging)
inzake
[appellant] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. A.R. Mes te Zoetermeer,
t e g e n
[geïntimeerde] ,
wonend te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Zwennes te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 27 november 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 11 november 2015, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] en [A] als eisers en hem, [appellant] , als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met diens veroordeling in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de volledige kosten van het geding in beide instanties (in zoverre houdt de memorie een incidenteel appel in).

2.Feiten

De rechtbank heeft in de overwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3.Beoordeling

3.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
( a) Ten tijde van het geding in eerste aanleg woonden partijen en [A] allen op de [adres] . [appellant] woont daar nog steeds en wel op nummer [ huisnummer 1] , [geïntimeerde] woonde op nummer [huisnummer 2] en [A] woonde op nummer [huisnummer 3] . [geïntimeerde] en [appellant] waren (jarenlang) in een burenruzie verwikkeld.
( b) [appellant] heeft aan de voor- en achterzijde van zijn woning camera’s geplaatst. Deze zullen hierna worden aangeduid als camera 1, 2, 3 of 4. De camera’s 1 en 2 bevinden zich aan de voorzijde van de woning, camera 3 bevindt zich aan de achterzijde van de woning, ter hoogte van de eerste verdieping en camera 4 is ingebouwd in de garage van [appellant] . Aanvankelijk was er een vijfde camera maar die was al voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding door [appellant] verwijderd.
( c) Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank [appellant] op vordering van [geïntimeerde] veroordeeld om:
- het standpunt van de camera’s 1 en 2 te wijzigen zodanig dat de kruislings gerichte camera’s zijn gericht op zijn voordeur en het totaalbeeld niet verder reikt dan maxi-maal een straal van twee meter, gemeten vanaf de gevel van de woning van [appellant] ;
- het standpunt van camera 4 zodanig naar beneden te richten dat het zicht van de camera niet verder reikt dan maximaal twee meter, gemeten vanaf de grens tussen de donkergekleurde en lichtergekleurde (in visgraatmotief gelegde) klinkers in het wegdek;
een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,= per overtreding en voor elke dag dat deze overtreding voortduurt met een maximum van € 3.000,=. De rechtbank heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Tegen deze beslissing en de gronden waarop zij berust, is het appel van [appellant] gericht.
3.2.1.
Met
grief 1betoogt [appellant] dat de rechtbank [geïntimeerde] ten onrechte (impliciet) ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering. [appellant] voert hiertoe aan dat [geïntimeerde] “om en nabij” de datum van het vonnis, 11 november 2015, niet meer in de nabijheid van [appellant] woonde en eind september 2015 “feitelijk” is verhuisd naar [plaats] . In ieder geval stond [geïntimeerde] op 25 november 2015 op zijn nieuwe adres in [plaats] ingeschreven, aldus [appellant] . [geïntimeerde] erkent eind november 2015 te zijn verhuisd maar betwist, zakelijk, dat dit op 11 november 2015 al het geval was.
3.2.2.
Op grond van de erkenning van [geïntimeerde] staat vast dat deze vanaf 25 november 2015 niet meer, kort gezegd, in de buurt van [appellant] woont. Echter, omdat [geïntimeerde] betwist dat hij op 11 november 2015 al was verhuisd en [appellant] van zijn desbetreffende stelling geen voldoende concreet bewijs heeft aangeboden, dient het hof ervan uit te gaan dat [geïntimeerde] op 11 november 2015 nog op de [adres] woonde. Dit betekent dat [geïntimeerde] tot 25 november 2015 weliswaar een belang bij zijn vordering had (de omstandigheid dat de woning van [geïntimeerde] toen al te koop stond, doet daaraan niet af), maar daarna niet meer. Dit laatste wordt niet anders doordat [geïntimeerde] een beroep doet op de privacy van de nieuwe bewoners van de door hem bewoonde woning en die van een aantal andere bewoners van de [naam straat] . Deze personen zijn immers geen partij in dit geding. De grief is dus ten dele gegrond en ten dele ongegrond. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover de daarbij uitgesproken veroordeling betrekking heeft op de periode vanaf 25 november 2015.
3.3.1.
Met de
grieven 2 tot en met 6komt [appellant] op tegen de overwegingen 4.11 en 4.12 van het bestreden vonnis en de daarop gebaseerde gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] .
3.3.2.
Het hof kan niet (louter) op grond van de door [appellant] als productie 4 in appel overgelegde foto’s oordelen dat juist is de (door [geïntimeerde] betwiste) stelling van [appellant] dat de beveiligende werking van de camera’s tot nihil is gereduceerd als gevolg van de aanpassing van de camera’s op de wijze als bij het bestreden vonnis is bepaald. Omdat [appellant] bovendien op dit punt geen concreet bewijs aanbiedt, gaat het hof aan die stelling voorbij. Voor het overige geven de stellingen van [appellant] onvoldoende duidelijk aan over welk oordeel van de rechtbank wordt geklaagd en geven zij het hof geen aanleiding anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. De grieven falen en het bestreden vonnis, voor zover betrekking hebbend op de veroordeling over de periode tot 25 november 2015, zal worden bekrachtigd.
3.4.
Indien partijen al hebben beoogd getuigenbewijs aan te bieden, wordt dat aanbod telkens als te algemeen en te vaag van de hand gewezen.
3.5.
Gezien al het voorgaande heeft de rechtbank de proceskosten van de eerste aanleg terecht gecompenseerd, reden waarom
grief 7van [appellant] en de
incidentele griefvan [geïntimeerde] , welke beide tegen deze beslissing zijn gericht, doel missen. Het bestreden vonnis zal daarom ook in zoverre worden bekrachtigd.
3.6.
Het hof zal de kosten van het appel tussen partijen compenseren als na te melden, aangezien zij over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld.

4.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover tussen partijen gewezen, voor wat betreft de veroordeling ten aanzien van de periode vanaf 25 november 2015 en, in zoverre opnieuw rechtdoende, wijst de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant] ten aanzien van de periode vanaf 25 november 2015 af;
bekrachtigt het bestreden vonnis voor al het overige;
compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat partijen ieder de eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juli 2016.