Belanghebbende en haar echtgenoot exploiteren een bed and breakfast (B&B) op de begane grond van hun pand, terwijl zij op de hogere verdiepingen wonen. De heffingsambtenaar legde aanslagen waterschapsbelasting op voor zowel de begane grond als de eerste en tweede verdieping. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde dat het pand als één woonruimte moet worden gezien, waarbij de B&B niet als zelfstandige bedrijfsruimte kwalificeert.
De rechtbank oordeelde dat het pand als één bedrijfsruimte moet worden aangemerkt, omdat de B&B-kamers meer dan bijkomstig afhankelijk zouden zijn van voorzieningen in de woonruimte, zoals de keuken voor het ontbijt en de warmwatervoorziening. De rechtbank vernietigde de aanslagen en wees het bezwaar toe.
Het Hof kwam tot een ander oordeel. Het stelde vast dat de B&B-kamers over eigen sanitaire voorzieningen beschikken, afzonderlijk toegankelijk zijn en als zelfstandige eenheid kunnen worden gebruikt. Het Hof verwierp het argument dat het B&B-deel meer dan bijkomstig afhankelijk is van voorzieningen in de woonruimte, omdat fysieke voorzieningen doorslaggevend zijn en niet de diensten die belanghebbende zelf verricht. Het Hof kwalificeerde het pand daarom als bestaande uit een woonruimte en een zelfstandige bedrijfsruimte, verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.