ECLI:NL:GHAMS:2016:3318
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken van gronden bij tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
Appellante, woonachtig te Alkmaar, heeft bij het Gerechtshof Amsterdam hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland waarin de schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd. Het beroepschrift bevatte echter geen concrete gronden voor het beroep, slechts een algemene onenigheid met de beslissing en een aankondiging van nadere aanvulling die niet is ingediend.
Tijdens de zitting erkende de advocaat van appellante dat geen gronden waren geformuleerd en stelde dat het verzoek tot uitstel als grond moest worden gezien. Het hof oordeelde dat dit verzoek geen grond van beroep vormt en dat latere ingediende brieven met aanvullende informatie buiten beschouwing blijven omdat deze na sluiting van de behandeling zijn ingediend.
Het hof stelde vast dat het beroepschrift niet voldoet aan de wettelijke vereisten van een duidelijke omschrijving van de gronden waarop het beroep berust. Er waren geen omstandigheden aangevoerd die het vonnis van de rechtbank onjuist maken. Ook was niet gebleken van omstandigheden die het niet tijdig aanvoeren van gronden rechtvaardigen.
Daarom verklaarde het hof appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Het arrest werd gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.
Uitkomst: Het hof verklaart appellante niet-ontvankelijk in haar hoger beroep wegens het ontbreken van gronden in het beroepschrift.