Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.2. Feiten
Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
- De eerste 500 vierkante meter van een kavel, aangeduid als oppervlak A, kent een waarde van € 1.000 per m2;
- De tweede 500 vierkante meter, aangeduid als oppervlak B, kent een waarde van € 500 per m2,
- De daaropvolgende 1500 vierkante meter, aangeduid als oppervlak C, kent een waarde van € 250 per m2;
- Oppervlak D volgt daarop en kent een waarde van € 100 per m2.
De optelsom van de waarde van de elementen is aldus per definitie gelijk aan de betaalde koopprijs.
De [adres 2] is de facto op 23 januari 2012 verkocht voor een prijs van € 1.175.000. De vastgestelde WOZ-waarde is € 1.149.000. Het is een vaststaand feit, dat de koper voor de kavel en de opstallen een bedrag van € 1.175.000 heeft betaald. Indien, zoals belanghebbende stelt, de heffingsambtenaar van deze koopprijs ten onrechte een bedrag van 600 x (€ 1.115 - € 400) = € 429.000 (zijnde het aantal m3 vermenigvuldigd met het verschil tussen de door de heffingsambtenaar gehanteerde waarde per m3 en de door belanghebbende als ‘normaal’ aangeduide waarde per m3) aan de opstal heeft toegerekend, is de conclusie onontkoombaar dat dit bedrag, dat immers in werkelijkheid betaald is, aan de grond met een oppervlakte van 467 m2 (oppervlakte A) moet worden toegerekend. En dat zou betekenen dat de kavel van belanghebbende ten minste € 429.000 te laag is gewaardeerd.