Uitspraak
1.Inhoud van het verzoek
2.Procesverloop
3.Beoordeling van het verzoek
4.Beslissing
€ 550,00(vijfhonderdvijftig euro).
Gerechtshof Amsterdam
Appellant verzocht om vergoeding van kosten voor het opstellen en toelichten van een verzoekschrift op grond van artikel 591a Wetboek van Strafvordering (Sv) in verband met een strafzaak waarin hij werd verdacht van straatroof. De raadkamer van de rechtbank Amsterdam wees dit verzoek af omdat de zaak eindigde met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, met toepassing van artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr), waardoor volgens de rechtbank geen vergoeding mogelijk was.
In hoger beroep stelde appellant dat de straatroof niet onderdeel uitmaakte van de zaak waarin artikel 9a Sr werd toegepast. Het hof stelde vast dat de straatroof was geseponeerd wegens gebrek aan bewijs vóór de samenvoeging van zaken en dat deze samenvoeging een administratieve vergissing was. De straatroof en de vandalismezaak vormden dus feitelijk twee afzonderlijke zaken.
Het hof oordeelde dat appellant terecht een vergoeding kon krijgen voor de kosten van het verzoekschrift omdat het verzoek tijdig was ingediend binnen drie maanden na mededeling van het sepotbesluit. Gezien de billijkheid wees het hof een forfaitaire vergoeding van €550 toe en vernietigde het eerdere besluit van de raadkamer van de rechtbank.
Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding van €550 toe voor de kosten van het verzoekschrift ex artikel 591a Sv.