ECLI:NL:GHAMS:2016:4654

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
15 november 2016
Publicatiedatum
18 november 2016
Zaaknummer
200.191.313/01 en 200.194.076/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 220 RvArt. 222 RvArt. 353 lid 1 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voeging van hoger beroepszaken tussen Stichting Hassan II, [X] en Koninkrijk Marokko toegewezen

In deze civiele procedure zijn twee hoger beroepszaken aanhangig: zaaknummer 200.191.313/01 tussen Stichting Hassan II en [X], en zaaknummer 200.194.076/01 tussen [X] en het Koninkrijk Marokko. Beide zaken betreffen hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2016.

[X] heeft incidenteel voeging van deze zaken gevorderd op grond van proces-economie en rechtseenheid, stellende dat de zaken verknocht zijn en voor dezelfde rechter aanhangig zijn. Stichting Hassan II en het Koninkrijk Marokko hebben verweer gevoerd tegen voeging, stellende dat de zaken geen identieke partijen betreffen, niet verknocht zijn en dat de vordering tot voeging niet tijdig is ingesteld.

Het hof oordeelt dat de vorderingen tijdig zijn ingesteld en dat de zaken voldoen aan de eisen van artikel 222 Rv Pro omdat zij hetzelfde feitencomplex betreffen en de medegedaagden in eerste aanleg gezamenlijk verweer voerden. Het hof wijst de incidentele vorderingen tot voeging toe en verwijst de zaken naar de rolzitting van 10 januari 2017 voor het nemen van memorie van antwoord en memorie van grieven door [X]. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaken.

Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vorderingen tot voeging van de twee hoger beroepszaken toe en verwijst de zaken naar de rolzitting van 10 januari 2017.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummers : 200.191.313/01 en 200.194.076/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4804919 CV EXPL 16-4841,
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 november 2016
inzake
zaaknummer 200.191.313/01:
FOUNDATION HASSAN II POUR LES MAROCAINS RÉSIDANT Á L’ETRANGER,
gevestigd te Rabat, Marokko,
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam,
tegen
[X],
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verzoeker in het incident,
advocaat: mr. E.E.P. Gosling-Verheijen te Woerden,
en
zaaknummer 200.194.076/01:
[X],
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak,
verzoeker in het incident,
advocaat: mr. E.E.P. Gosling-Verheijen te Woerden,
tegen
KONINKRIJK MAROKKO,
te dezen gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam.
Appellant in de zaak 200.191.313/01 zal hierna – in navolging van de rechtbank - Stichting Hassan II genoemd worden. Geïntimeerde in die zaak tevens appellant in de zaak met zaaknummer 200.194.076/01 wordt hierna [X] genoemd. Geïntimeerde in de zaak met zaaknummer 200.194.076/01 wordt hierna Koninkrijk Marokko genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

(zaaknummer 200.191.313/01):
Stichting Hassan II is bij dagvaarding van 12 mei 2016 in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam op 16 februari 2016, voor zover (onder bovenvermeld zaaknummer) gewezen tussen hem en [X] .
In deze zaak is door Stichting Hassan II op 5 juli 2016 een memorie van grieven genomen.
(zaaknummer 200.194.076/01):
[X] is bij dagvaarding van 13 mei 2016 in hoger beroep gekomen van het bovengenoemde vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 februari 2016, voor zover gewezen tussen hem en Koninkrijk Marokko.
In deze zaak is nog geen memorie van grieven genomen.
(in beide zaken):
Bij incidentele conclusies van 26 juli 2016 heeft [X] op de voet van artikel 220 juncto Pro artikel 222 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voeging gevorderd van de onderhavige zaken.
Bij twee afzonderlijke incidentele memories van 9 augustus 2016 hebben Stichting Hassan II (in zaak 200.191.313/01) en Koninkrijk Marokko (in zaak 200.194.076/01) geantwoord en ieder geconcludeerd tot afwijzing van de desbetreffende incidentele vordering.
Vervolgens is arrest gevraagd in de incidenten.

2.Beoordeling

in de incidenten tot voeging
2.1
[X] heeft voeging gevorderd op de grond dat de onderhavige zaken beide het hoger beroep betreffen van het vonnis van de rechtbank van 16 februari 2016, zodat het uit oogpunt van proces-economie en rechtseenheid wenselijk is dat de zaken ook in appel gevoegd behandeld worden. Voorts heeft [X] aangevoerd
dat de zaken verknocht zijn en voor dezelfde rechter aanhangig zijn.
2.2
Stichting Hassan II en Koninkrijk Marokko hebben beide gesteld dat de wet zich tegen voeging van de zaken verzet, omdat de incidentele vordering tot voeging niet bij de inleidende dagvaarding is ingesteld, de zaken geen geschillen tussen dezelfde partijen betreffen en bovendien niet gebleken is dat de zaken verknocht zijn in de zin van de wet. Met betrekking tot de verknochtheid hebben Stichting Hassan II en Koninkrijk Marokko aangevoerd dat de relatie tussen [X] en Stichting Hassan II van privaatrechtelijke aard is en die tussen [X] en Koninkrijk Marokko van publiekrechtelijke aard. Het is in het laatste geval ook maar de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [X] .
2.3
Voor zover Stichting Hassan II en Koninkrijk Marokko hebben betoogd dat [X] zijn incidentele vordering te laat heeft ingesteld, volgt het hof hen hierin niet. Omdat (in beide zaken) nog niet van memorie van antwoord is gediend, volgt uit artikel 353 lid 1 juncto Pro artikel 222 lid 2 juncto Pro 220 lid 3 respectievelijk 220 lid 2 Rv dat [X] de incidentele vorderingen tijdig heeft ingesteld.
2.4
Het hof overweegt met betrekking tot de incidentele vorderingen voorts als volgt. Stichting Hassan II en Koninkrijk Marokko waren in de eerste aanleg medegedaagden in dezelfde zaak en voerden gezamenlijk verweer. Aan de zaken waar het hier om gaat ligt hetzelfde feitencomplex ten grondslag, hetgeen ook blijkt uit de grote overeenkomsten in de processtukken van Stichting Hassan II en Koninkrijk Marokko, ook die in hoger beroep tot dusverre. Reeds hierom zijn het zaken die voldoen aan de eisen van artikel 222 Rv Pro. Artikel 222 Rv Pro stelt niet de eis dat het moet gaan om identieke zaken, noch wordt de eis gesteld dat het moet gaan om dezelfde partijen, zoals Stichting Hassan II en Koninkrijk Marokko kennelijk menen.
2.5
Aangezien ook de processuele doelmatigheid met voeging is gediend, zullen de incidentele vorderingen gezien het voorgaande worden toegewezen. Een beslissing omtrent de kosten zal worden aangehouden. De hoofdzaken zullen naar na te noemen rolzitting worden verwezen voor memorie van antwoord (200.191.313/01) respectievelijk memorie van grieven (200.194.076/01), beide aan de zijde van [X] .

3.Beslissing

Het hof:
in de incidenten tot voeging:
voegt de zaken met zaaknummers 200.191.313/01 en 200.194.076/01;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaken;
in de hoofdzaken:
verwijst de zaken naar de rol van 10 januari 2017 voor het nemen van een memorie van antwoord door [X] in de zaak met zaaknummer 200.191.313/01 en een memorie van grieven door [X] in de zaak met zaaknummer 200.194.076/01;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, J.C.W. Rang en C.C. Meijer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 november 2016.