ECLI:NL:GHAMS:2016:491
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.C. Boot
- S.F. Schütz
- M.L.D. Akkaya
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing vorderingen werknemer tegen inlener wegens ontbreken gezagsverhouding en onrechtmatige daad
Appellant werkte sinds 2010 als assistent locatiemanager in het Hirschgebouw via ADLB, dat voor EPI de dagelijkse bezetting verzorgde. Na beëindiging van de overeenkomst tussen EPI en ADLB ontstond een geschil over loonvorderingen en aansprakelijkheid. Appellant stelde dat hij feitelijk in dienst was van EPI en dat EPI onrechtmatig had gehandeld door niet toe te zien op de loonbetalingen door ADLB.
De kantonrechter wees de vorderingen tegen EPI af, wat appellant in hoger beroep aanvocht. Het hof overwoog dat appellant aanvankelijk alleen ADLB als werkgever beschouwde en dat de latere stelling dat EPI werkgever was, voortkwam uit voortschrijdend inzicht en mogelijk de onvermogen van ADLB en [A] om te betalen.
Het hof concludeerde dat aanwijzingen voor een gezagsverhouding met EPI ontbreken en dat de arbeidsrelatie via een uitzendconstructie verliep. Ook het beroep op een payrollovereenkomst werd onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de onrechtmatige daad stelde het hof dat EPI niet gehouden was zonder meer te controleren of ADLB aan haar verplichtingen voldeed, zeker gezien het feit dat ADLB tot kort voor het geschil aan haar verplichtingen had voldaan.
De grieven van appellant faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellant tegen EPI af.