Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Tussen partijen vaststaande feiten
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
Preambule
3.Geschil in hoger beroep
- primair dat de Verordening onverbindend is, omdat (a) niet voldaan zou zijn aan het vereiste van voldoende draagvlak en (b) omdat de afbakening van het heffingsgebied onrechtmatig althans in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn; in ieder geval dat het opleggen van de aanslag strijd oplevert met een of meer van die beginselen;
- subsidiair dat de aanslag niet rechtsgeldig kon worden opgelegd, omdat reeds eerder een – na bezwaar herroepen – aanslag ter zake van hetzelfde feit werd opgelegd;
- meer subsidiair dat de aanslag pro-rata verminderd moet worden, omdat de belastingplicht pas zou ontstaan vanaf het moment van inwerkingtreding van de Verordening na publicatie op 7 maart 2013.
in redelijkheidheeft
mogenveronderstellen dat de groep heffingsplichtigen van de opbrengst
konprofiteren; niet of de leden van deze groep, achteraf gezien, daadwerkelijk allen in gelijke mate daarvan hebben geprofiteerd.
Toelichting bij de verminderingsbrief voor de reclamebelasting 2013 Aalsmeer