Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
,niet-ontvankelijk verklaard.
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.De uitspraak van de rechtbank
Aanslag IB/PVV
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende betwistte de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) en de aanslag Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2010. De kern van het geschil betrof de vraag of de door belanghebbende ontvangen UWV-uitkeringen terecht tot de winst zijn gerekend.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende geen aangifte had gedaan en dat de inspecteur terecht een schatting had gemaakt van het belastbaar inkomen. De rechtbank verwierp het standpunt van belanghebbende dat de AOW- en WW-uitkeringen onbelast zouden zijn en oordeelde dat de aanslagen correct waren vastgesteld. Ook de opgelegde verzuimboete werd passend bevonden.
Het Hof overwoog dat de rechtbank op goede gronden had beslist en dat de door belanghebbende aangevoerde argumenten geen nieuw licht op de zaak wierpen. Betalingsproblemen van belanghebbende waren niet relevant voor de beoordeling van de aanslagen. Het Hof verklaarde de hogere beroepen ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak werd gedaan door de belastingkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 1 december 2016. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken. Belanghebbende kan binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart de hogere beroepen ongegrond.