Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
.
.Bij de stukken bevindt zich (een vertaling van ) een gelegaliseerd uittreksel van een Egyptische echtscheidingsakte van 19 november 2015 (hierna: Egyptische scheidingsakte).
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2003 in Egypte gehuwd en hebben de Nederlandse nationaliteit. Na een eenzijdige ontbinding van het huwelijk door de man in Egypte (verstoting), is in Nederland een procedure tot echtscheiding aanhangig gemaakt. De man betoogde dat de Egyptische scheiding erkend moest worden en dat de Nederlandse rechter onbevoegd was.
Het hof oordeelde dat de Egyptische verstoting niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10:58 BW Pro, omdat niet is vastgesteld dat de man de Egyptische nationaliteit bezit en de vrouw niet heeft ingestemd met de ontbinding. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om over de echtscheiding te beslissen en wordt het verzoek van de vrouw tot echtscheiding bekrachtigd.
Met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de kinderen stelde de man dat deze bij hem moest worden bepaald vanwege zorgen over het welzijn van de kinderen. Het hof volgde dit niet, mede op advies van de Raad en de gecertificeerde instelling, en bevestigde dat het belang van de kinderen het beste gediend is met verblijf bij de moeder.
Ten slotte werd het huurrecht van de woning aan de vrouw toegekend, omdat de kinderen daar hun vertrouwde sociale omgeving hebben en de man elders woonruimte heeft gevonden. De bestreden beschikking werd in alle punten bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding, bepaalt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw en kent haar het huurrecht van de woning toe.