ECLI:NL:GHAMS:2016:5369
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing eigendom water bij woonboot aan de Drecht
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellanten eigenaar waren van het water waar hun woonboot aan de Drecht is afgemeerd, grenzend aan hun perceel. Het hof heeft het bewijs van appellanten onderzocht en vastgesteld dat geïntimeerde met tegenbewijs is gekomen dat het water niet tot het perceel behoort.
Het hof analyseerde diverse kadastrale kaarten uit 1823, 1914 en 2013, alsmede een notariële leveringsakte uit 1996. Uit deze stukken bleek dat de kadastrale grens de oeverlijn van de Drecht vormt en dat er geen overdracht van het water als perceelgedeelte heeft plaatsgevonden. De stelling van appellanten dat zij eigenaar zijn van het water werd niet bewezen, mede omdat zij geen aanvullend bewijs hebben aangeboden in hoger beroep.
Het hof onderschreef tevens de waardering van getuigenverklaringen uit de eerste aanleg en concludeerde dat de hoofdregel van artikel 5:29 BW Pro van toepassing is, waarbij de erfgrens zich met de oeverlijn verplaatst. De rechtbank had de vordering van appellanten terecht afgewezen en het hof bekrachtigde dit vonnis. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vordering van appellanten af wegens onvoldoende bewijs van eigendom van het water.