ECLI:NL:GHAMS:2016:793

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2016
Publicatiedatum
7 maart 2016
Zaaknummer
200.183.252
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 WgbzArt. 4 WgbzArt. 6 EVRMArt. 16 lid 1 WgbzArt. 16 lid 2 Wgbz
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen volledige heffing griffierecht ondanks verleende toevoeging afgewezen

Verzoekers kwamen in verzet tegen de beslissing van de griffier om het volledige griffierecht van €1.615,- te heffen, ondanks dat aan verzoeker sub 1 eerder een toevoeging was verleend. Verzoekers stelden dat zij spoedig na het aanbrengen van de zaak de toevoeging hadden overgelegd en vroegen om vermindering van het griffierecht tot het tarief voor onvermogenden.

Het hof oordeelde dat volgens de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) het griffierecht voor onvermogenden alleen kan worden geheven indien op het moment van heffing de vereiste stukken, zoals een afschrift van de verleende toevoeging, zijn overgelegd. In dit geval was bij het aanbrengen van de zaak op het formulier vermeld dat een toevoeging niet van toepassing was en is niet tijdig medegedeeld dat rekening gehouden moest worden met een toevoeging.

Hoewel de toevoeging later is overgelegd, was dit te laat en waren er geen omstandigheden die dit konden rechtvaardigen. Het hof stelde dat het risico hiervan voor verzoekers blijft en dat dit geen schending van het recht op toegang tot de rechter oplevert. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de volledige heffing van griffierecht wordt ongegrond verklaard omdat de toevoeging niet tijdig is overgelegd.

Uitspraak

beschikking
________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.183.252/01
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 februari 2016
in de zaak van:

1.[X] , wonende te [Y] ,

2. mr. E. PASMAN,advocaat te Amsterdam,
verzoekers.

1.De procedure

Bij per fax op 7 januari 2016 ter griffie ontvangen verzoekschrift zijn verzoekers in verzet gekomen tegen de beslissing van de griffier van dit hof om niet het tarief voor onvermogenden te hanteren bij de vaststelling van het griffierecht.
Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

2.Bestreden beslissing

Bij nota van 16 december 2015 heeft het Landelijk Dienstencentrum van de rechtspraak (LDCR) in de zaak met zaaknummer 200.181.526/01 een bedrag van € 1.615,- aan griffierecht geheven. Bij brief van 6 januari 2016 heeft de griffier van dit hof in de zaak met zaaknummer 200.181.526/01 de beslissing het volledige griffierecht te heffen gehandhaafd, omdat niet door verzoeker sub 1 een aanvraag toevoeging, definitieve toevoeging of verklaring van de Raad voor Rechtsbijstand is overgelegd.
De nota griffierecht ad € 1.615,- hebben verzoekers op 12 januari 2016 voldaan.
Ingevolge artikel 29 lid 1 van Pro de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) kan - kort gezegd - degene die griffierecht heeft betaald gedurende een maand na die betaling in verzet komen tegen de beslissing van de griffier tot heffing van het griffierecht.

3.Verzoek

Verzoekers maken bezwaar tegen het in rekening brengen van het volledige griffierecht.
Daartoe stellen verzoekers dat aan verzoeker sub 1 reeds op 17 oktober 2014 een toevoeging is verleend, dat de zaak op 15 december 2015 is aangebracht en dat verzoekers spoedig daarna, namelijk op 23 december 2015 de toevoeging hebben overgelegd. Gezien deze spoedige overlegging van de toevoeging en omdat er in de hoofdzaak nog geen einduitspraak is gedaan, achten verzoekers het redelijk het geheven griffierecht te verminderen tot het griffierecht voor onvermogenden.

4.Beoordeling

4.1.
De vraag is of het gerechtvaardigd is dat, hoewel er een toevoeging is afgegeven, het volledige griffierecht geheven wordt. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
4.2.
In zaken die bij dagvaarding worden ingeleid wordt op de eerste roldatum van elke eiser en verschenen gedaagde griffierecht geheven (art 3 lid 1 Wgbz Pro). Alleen in gevallen die bij of krachtens de wet zijn bepaald kan anders worden geoordeeld (zie artikel 4 Wgbz Pro). Als hoofdregel geldt dat het griffierecht voor onvermogenden slechts wordt geheven indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven de in artikel 16 lid 1 Wgbz Pro vereiste gegevens zijn verstrekt, namelijk een afschrift van een verleende toevoeging of een inkomensverklaring van de raad van rechtsbijstand. Als uitzondering op deze regel bepaalt artikel 16 lid 2 Wgbz Pro dat als een partij op het tijdstip waarop griffierecht wordt geheven nog geen afschrift van het besluit tot toevoeging kan overleggen ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan haar zijn toe te rekenen, maar zij daartoe wel een aanvraag heeft ingediend en een afschrift van die aanvraag overlegt, de griffier het griffierecht voor onvermogenden heft.
4.3.
Verzoekers betogen dat zij het griffierecht voor onvermogenden verschuldigd zijn. Het hof volgt hen daarin niet. Uitgangspunt van de wet is dat een rechtzoekende die onvermogend is, zoals verzoeker sub 1 stelt te zijn, bij het aanbrengen van de zaak verlaging van het griffierecht moet vragen en de daartoe vereiste (onder 4.2. genoemde) stukken dient over te leggen. In dit geval is bij het aanbrengen van de zaak op het H1 formulier echter vermeld dat een toevoeging niet van toepassing was en ook anderszins is bij het aanbrengen van de zaak niet medegedeeld dat bij het heffen van griffierecht rekening gehouden zou moeten worden met een toevoeging.
4.4.
Weliswaar kan ingevolge artikel 16 lid 4 Wgbz Pro het griffierecht verlaagd worden tot het griffierecht voor onvermogenden als de toevoeging alsnog voor de einduitspraak wordt overgelegd, maar dit kan alleen in het geval dat een partij bij het aanbrengen van de zaak geen toevoeging kon overleggen ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs aan haar niet zijn toe te rekenen. Van dergelijke omstandigheden is echter niet gebleken, nu de toevoeging reeds op of omstreeks 17 oktober 2014 in het bezit van verzoekers was en geen omstandigheden zijn gesteld waarom zij deze toevoeging niet eerder konden overleggen dan zij hebben gedaan.
Eerst in de week na ontvangst van de nota griffierecht is een bewijs van toevoeging overgelegd. Nu verzoekers te laat de toevoeging hebben overgelegd, heeft de griffier terecht het volledige griffierecht geheven.
4.5.
Dat het hof niet tijdig bekend was met de aan verzoeker sub 1 verleende toevoeging, is een omstandigheid die voor risico van verzoekers moet blijven. Van verzoeker sub 2 mag verlangd worden dat hij bekend is met de toepasselijke wettelijke regels en dat hij zijn kantoorvoering aldus inricht dat die regels kunnen worden nageleefd. De toepassing van het wettelijk stelsel levert onder deze omstandigheden geen schending op van het door artikel 6 EVRM Pro beschermde recht van verzoeker sub 1 op toegang tot de rechter. Ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die alsnog tot het door verzoekers gewenste gevolg nopen.
Het verzet is derhalve ongegrond.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, C.C. Meijer en J.W. Hoekzema,
en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2016.