Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
“In overleg met advocaat de heer Bruin wordt nader bekeken rond verdere opschorting van de huur met het oog op de nog niet verholpen verbreken”.
grieven 2 tot en met 14worden gezamenlijk besproken. Zij houden in dat de kantonrechter ten onrechte a) het door [appellante] gedane beroep op opschorting van de huurbetalingen slechts gerechtvaardigd heeft geacht tot 20% van de maandelijkse huurprijs, b) het door [appellante] gedane beroep op verrekening van de huurpenningen met een door haar betaalde factuur van 25 maart 2013 ter grootte van € 1.092,54 heeft verworpen, c) de omstandigheid dat [appellante] vanaf augustus 2012 geen huur heeft betaald een zodanig ernstige tekortkoming heeft geacht dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.
in beperkte matehet binnenmilieu beïnvloeden en bij mensen die daarvoor gevoelig zijn een verergering van luchtwegklachten of allergische reacties, zoals hooikoortsachtige verschijnselen,
kunnenveroorzaken. [appellante] heeft in appel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat opschorting van de huur tot een hoger percentage dan 20 gerechtvaardigd was. Uit de door haar in appel (als producties 19 tot en met 21) overgelegde medische verklarin-gen kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat [appellante] en/of haar kinderen als gevolg van de onderhavige vochtproblemen daadwerkelijk gezondheidsklachten hebben opgelopen. Dit geldt ook met betrekking tot de verklaring van de kinderarts prof. dr. [X] van 26 mei 2014 met betrekking tot Kluens dochter [dochter] . [X] maakt weliswaar gewag van ongezonde woonomstandigheden, vooral samenhangend met vocht en ventilatie, maar het hof acht onvoldoende duidelijk of en in hoeverre de beschreven klachten van [dochter] , die allergisch is voor huisstofmijt, volgens [X] zijn veroorzaakt door dat vocht. Bovendien is [appellante] zelf verantwoordelijk voor de ventilatie van het gehuurde. Niet gesteld of gebleken is verder dat [appellante] de Stichting er ooit op heeft gewezen dat de vochtproblemen in het gehuurde dienden te worden aangepakt in verband met deze concrete gezondheidsschade. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen aanleiding te oordelen dat vanwege de door de deskundige vastgestelde vochtproblemen opschorting van de huur tot een hoger percentage dan 20 gerechtvaardigd was. Ook de stellingen van [appellante] over een overlast veroorzakende andere bewoonster van het hofje met “verslavingsproblematiek” zijn te algemeen en te vaag om in verband hiermee tot een hoger percentage te kunnen komen.
grief 16betoogt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte niet is toegekomen aan haar voorwaardelijke reconventionele vorderingen. Ook deze grief heeft geen succes: omdat alle vorige grieven falen, zijn de vorderingen van de Stichting (in conventie) terecht toegewezen. De voorwaarde waaronder de reconventionele vorderingen waren ingesteld, is dus niet vervuld.