ECLI:NL:GHAMS:2017:162
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake aftrekbaarheid premies vrijwillige bijdrage Anw in inkomstenbelasting 2011
Belanghebbende maakte in zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 aanspraak op aftrek van € 8.457 aan premies vrijwillige bijdrage Algemene nabestaandenwet (Anw). De inspecteur corrigeerde deze aftrekpost omdat niet was aangetoond dat de premies daadwerkelijk waren betaald aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB), zoals vereist volgens artikel 3.124, eerste lid, aanhef en onder d, Wet IB 2001.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en stelde vast dat de premies niet aan de SVB waren betaald, maar aan een bank in verband met een kapitaalverzekering. Ook was niet voldaan aan de voorwaarden van de Anw, zoals het overlijden van de echtgenote binnen drie jaar na inwerkingtreding van de Anw, noch was belanghebbende geboren na 1 juli 1956.
In hoger beroep bevestigde het Hof het oordeel van de rechtbank. Het Hof verwierp de stelling van belanghebbende dat de schuld aan de bank als vermogen was meegenomen en oordeelde dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen nihil was vastgesteld. Klachten over een dwangbevel en aanmaningskosten vielen buiten het bestek van deze procedure. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.