Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[Y] ,wonend te [woonplaats 1] ,
1.[Z] ,
AMSTEDE PROJECTONTWIKKELING B.V.,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
Grief I in principaal appelhoudt onder meer in dat de feiten onvolledig zijn weergegeven.
door cliënt aan u onder de hiervoor geschetste omstandigheden, waaronder de (veel te) lage koopprijs. (…)’
heb ik via mijn kantoor laten afwikkelen en ik kan dus bevestigen dat ik en mijn kantoor geen enkel moment getwijfeld hebben of genoemde heer [Y] de gevolgen van zijn rechtshandelingen niet zou hebben kunnen overzien; naar onze mening kon hij dat op die momenten dus wel. (…)’.
zeker mogelijk, maar niet met grote waarschijnlijkheid vast te stellen, dat in de jaren voordat bij dhr. [Y] de diagnose dementie van het Alzheimertype werd gesteld, sprake was van een verhoogde mate van beïnvloedbaarheid.
uitgegaan van een matige staat van onderhoud (…)[Ten aanzien van de woonruimten]
wordt uitgegaan van een gemiddelde staat van onderhoud en gedateerde interieurs, met uitzondering van de woning op de tweede verdieping, waar kort vóór de verkoop een renovatie is uitgevoerd op kosten van de heer [Y] . (…)
(…) is de heer [Y] naar Antwerpen vertrokken om daar in zaken te gaan met ene mevrouw [C] . Zij had een modebedrijf of wilde dit opstarten. Hij kwam daardoor minder vaak langs. Als hij langskwam was het echter altijd erg gezellig. (…) Ik had de indruk dat het erg goed ging met de heer [Y] . De laatste keer dat ik de heer [Y] heb gezien en gesproken was in april 2011. (…) Pas later heb ik (…) begrepen dat de heer [Y] sinds maart 2011 aan dementie / Alzheimer lijdt. Ik vind dat erg voor de heer [Y] . Echter, ook tijdens onze ontmoeting in april 2011 heb ik daar niets van gemerkt. (…)’
tegen[ [Z] ]
. Het betreft het expertise-rapport van[Verhey]
.
3.Beoordeling
.Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
grief VI in principaal appelheeft [X] zich gekeerd tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op dwaling van [Y] bij de totstandkoming van de koopovereenkomsten. Deze grief slaagt evenmin. [X] heeft niet bestreden dat zij het oog heeft op de in artikel 6:228 lid 1 onder Pro b BW bedoelde dwalingsgrond. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat [Y] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomsten de beschikking had over het onder 2.2.4 genoemde taxatierapport van eind 2016, waarbij het pand is getaxeerd op € 900.000,=, een aanzienlijk hoger bedrag dan waarvoor hij het pand aan [Z] verkocht. Niet valt in te zien dat [Z] [Y] ‘uit de droom had moeten helpen’, op de grond dat de desbetreffende makelaar bij brief van 27 juni 2014 (overweging 2.2.23) heeft geschreven dat [Y] hem had verzocht het pand zo hoog mogelijk te taxeren omwille van een hypotheekaanvraag. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan [Z] [Y] had moeten afhouden van de verkoop van het pand aan hem. Hetgeen hiervoor over de stellingen van [X] is overwogen geldt ook in dit verband.
grief I in principaal appel(voor zover nog niet besproken) leidt het hof af dat [X] meent dat de rechtbank ten onrechte haar stelling in de conclusie van repliek, randnummer 51, inhoudende dat de ‘verbouwing (…) op zich niet te duur is geweest, maar er (…) tenminste € 11.900,= meer [is] betaald dan contractueel was overeengekomen’, aldus heeft opgevat dat zij niet langer de betaling vorderde van de hiervoor onder 3.1 (v) weergegeven vordering, voor zover deze het bedrag van € 11.900,= overtrof. Het hof is van oordeel dat deze conclusie van de rechtbank in het licht van de stellingen van [X] alleszins begrijpelijk is, maar nu uit de toelichting op grief I blijkt dat zij niet heeft beoogd deze vordering – en hetgeen zij daaraan in eerste aanleg ten grondslag had gelegd – te laten varen, zal het hof deze in de beoordeling in hoger beroep betrekken.