Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.de maatschapVAN [X] AGENCIES,
[appellant sub 2]
[appellante sub 3],
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
moet worden uitgelegd als een opzegging per direct door mijn cliënte, gelet op de feitelijke gedragingen van mijn cliënte. Kennelijk bedoelt u daarmee het voornemen van mijn cliënte om de collectie minder lang ter beschikking te stellen. Cliënte deelt deze mening geheel niet. Zij heeft de overeenkomst niet opgezegd, doch aan uw cliënten gevraagd zich te committeren aan haar voornemen en een plan van aanpak op te stellen.
3.Beoordeling
Uw gedraging kwalificeert zich als een dringende redenen zodanig dat de aard ervan de overeenkomst doet eindigen en redelijkerwijs van cliënten niet gevergd kan worden de overeenkomst, met u, zelfs nog tijdelijk, in stand te laten.Kyra wordt in die brief vervolgens aansprakelijk gesteld en BNL heeft daarbij aanspraak gemaakt op een schadevergoeding en een klantenvergoeding. Kyra heeft daarop bij brief van 22 mei 2015 expliciet gesteld het te betreuren dat BNL de agentuurrelatie ‘op grond van een dringende reden heeft opgezegd’. Daaruit blijkt afdoende dat Kyra BNL’s brief van 13 mei 2015 beschouwde als een opzegging met onmiddellijke ingang. Het staat vast dat BNL niet op deze reactie van Kyra heeft gereageerd en vervolgens tot beslaglegging ten laste van en een procedure jegens Kyra is overgegaan. Gegeven voormelde uitlegmaatstaf kan een en ander bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat BNL met haar brief van 13 mei 2015 de agentuurovereenkomst per direct, zonder inachtneming van een opzegtermijn heeft beëindigd. Alle vorderingen en aanspraken in die brief passen naar ’s hofs oordeel slechts bij een directe beëindiging. Kyra heeft deze betekenis dan ook redelijkerwijs aan de brief van 13 mei 2015 mogen toekennen.
de grieven 6 en 7klaagt BNL over de overwegingen van de kantonrechter leidend tot de conclusie dat ten tijde van de opzegging door BNL van de agentuurovereenkomst daarvoor geen dringende reden bestond. In dat verband is BNL met haar
grief 1opgekomen tegen de - haars inziens te beperkte - overwegingen van de kantonrechter die erop neerkomen dat de omzet in België daalde en het terughalen van de monstercollectie in de zomer van 2014 tijdens de gebruikelijke periode door Kyra een meer dan incidenteel karakter had en met haar
grief 2tegen de overweging van de kantonrechter dat Kyra duidelijk heeft aangegeven dat het niet langer bedrijfseconomisch verantwoord was om een monstercollectie enkel voor België te maken. Ook deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
de factoop beëindiging van de agentuurovereenkomst neerkwam. Onbetwist is dat in elk geval nadien een aantal Belgische klanten in Haarlem de monstercollectie heeft bezichtigd.
grief 8, dat zich richt tegen de in reconventie ten laste van BNL toegewezen schadeloosstelling ad € 9.288,79, vergeefs is opgeworpen. Het beëindigen van de agentuurovereenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn en zonder dat sprake is van een dringende reden daartoe, heeft BNL op grond van artikel 7:439 lid 1 BW Pro immers tegenover Kyra schadeplichtig gemaakt.