De veroordeelde werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor het telen van hennep in de periode van 16 augustus tot en met 8 november 2012. Tevens werd hem een betalingsverplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €37.181,68.
In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis vernietigd en de ontnemingsvordering opnieuw vastgesteld. Op 8 november 2012 werd in de woning van de veroordeelde een hennepkwekerij aangetroffen met 460 planten verdeeld over twee ruimten. Het hof acht aannemelijk dat er minstens eenmaal in beide ruimten is geoogst, gebaseerd op hennepresten, afval, kalkafzetting, droogrekken en verpakkingsmaterialen.
De stelling van de veroordeelde dat hij de kwekerij met hulp van een derde heeft opgebouwd werd niet aannemelijk geacht wegens gebrek aan onderbouwing. Het hof gebruikte het BOOM-rapport van 2010 voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij werd uitgegaan van een opbrengst van 27,2 gram hennep per plant en een verkoopprijs van €3,28 per gram.
De gemaakte kosten voor stekjes, variabele kosten en afschrijvingen werden in mindering gebracht, maar energiekosten en een eindafrekening van een woningcorporatie werden niet in mindering gebracht wegens gebrek aan bewijs van betaling. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €37.896,56, waarop de veroordeelde tot betaling aan de Staat werd veroordeeld.
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 29 augustus 2017.