Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
van belang [is] om tot een volledige en correcte ontbinding van de franchiseovereenkomst te komen op basis van wederzijds goedvinden”, geeft hij in die e-mail vervolgens daadwerkelijk commentaar op dat voorstel om uiteindelijk te concluderen dat het een package deal is, dat zijn reactie onder voorbehoud is van overeenstemming op alle punten, in welk verband hij om het akkoord van B6 vraagt. Daaraan voegt hij nog toe dat, zolang er geen akkoord is, hij volwaardig franchisenemer is. Uit deze bewoordingen, in onderlinge samenhang beschouwd, kan slechts worden afgeleid dat [appellant] op 29 oktober 2015 van mening was dat er nog geen wilsovereenstemming bestond omdat partijen het nog niet over alles eens waren. Ook uit de e-mail van [appellant] van 30 oktober 2015 volgt dat partijen, volgens [appellant] , “
aan het onderhandelen” waren over de beëindiging van de Overeenkomst en kennelijk alleen nog over de betaling van de klanten van [appellant] van mening verschilden, waarna [appellant] een voorstel doet. Ook uit deze bewoordingen volgt dat er volgens [appellant] op 30 oktober 2015 nog geen wilsovereenstemming bestond. Ook de opzeggingsmail van [appellant] , ten slotte, geeft geen aanknopingspunt voor het bestaan van wilsovereenstemming tot beëindiging.
in grote lijnen al hadden bedacht hoe [ze] uit elkaar zouden gaan”. Waar het bij de beoordeling van grief 1 echter om gaat is of de bereikte wilsovereenstemming de relevante onderwerpen omvatte betreffende de wijze waarop de Overeenkomst tussen hen zou worden beëindigd. In dat verband komt betekenis toe aan het feit dat [appellant] zelf in zijn e-mail van 29 oktober 2015 heeft geschreven dat hij nog “
in detail zou reageren op jouw [hof: B6’] voorstel” en dat het een “
package deal” betrof, waarmee hij tot uitdrukking heeft gebracht dat slechts een beëindigingsovereenkomst tot stand zou komen indien deze alle in het voorstel van B6 besproken onderdelen van de beëindiging betrof, bij gebreke waarvan [appellant] gewoon franchisenemer bleef. Bezien in het licht van deze en de overige onder rov. 3.4 besproken correspondentie, die dateert uit de periode dat de beweerdelijk bereikte wilsovereenstemming zou zijn bereikt, heeft [appellant] ook in hoger beroep onvoldoende concrete feiten gesteld en onderbouwd die, indien bewezen, meebrengen dat in weerwil van hetgeen uit genoemde correspondentie volgt, toch reeds op 9 en 12 oktober 2015 op de relevante onderdelen wilsovereenstemming was bereikt. [appellant] zegt wel dat B6, na bereikte wilsovereenstemming, niet meer tegen gesloten beurzen wilde afrekenen en nieuwe zaken wilde inbrengen (specifiek: een bepaalde klant wilde ruilen), maar heeft tegelijkertijd, ook niet in zijn overgelegde schriftelijke verklaring, geen verklaring gegeven voor het feit dat uit zijn eigen e-mails niet van de bereikte wilsovereenstemming blijkt. [appellant] verklaart zijn optreden uit de vrees dat B6 hem “voor een prikkie” zijn klanten afhandig zou maken, maar in het licht van de e-mails van B6 (waaruit het hof geen aanknopingspunt voor die vrees heeft kunnen afleiden) schiet die verklaring tekort. Nu [appellant] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan komt het hof aan bewijslevering ter zake (die [appellant] ook in hoger beroep heeft aangeboden) niet toe.
Ik zal [X] geen strobreed in de weg leggen om zijn handelingen in de administraties van de cliënten te blijven uitvoeren, net als hiervoor. Dit veroorzaakt voor [X] geen enkele overlast!” en [appellant] daarnaast ook zelf aanvoert dat partijen van dezelfde Exact-licentie gebruikmaakten. Hij kon dus (anders dan het geval zou zijn geweest als B6 een retentierecht had uitgeoefend) ongehinderd werkzaamheden voor de klanten uitvoeren. Verder heeft [appellant] in eerste aanleg over het vermeende retentierecht niet meer aangevoerd dan “
de stelling dat [A] een beroep deed op retentie isniet geheel ongegrond”[onderstreping hof].
[A] weigerde immers ondanks eerder verzoek daartoe op 5 november 2015 om de licentie over te dragen aan [appellant] . Daarnaast heeft [A] meermaals gedreigd met juridische stappen.” Ook die stellingen kunnen het betoog dat B6 een retentierecht uitoefende geenszins dragen. Bij gebreke van voldoende feitelijke grondslag voor de stelling dat B6 een retentierecht uitoefende, heeft de rechtbank [appellant] terecht tot rectificatie veroordeeld. De grief faalt dan ook.