Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
eiseres in het incident,
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak is appellante in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de kantonrechter waarbij haar huurovereenkomst voor een tijdelijke woning is beëindigd en zij is veroordeeld tot ontruiming met dwangsom. Appellante verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis, stellende dat het vonnis ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat zij geen passende woonruimte kan vinden.
Het hof overweegt dat schorsing van de tenuitvoerlegging alleen mogelijk is indien sprake is van misbruik van executiebevoegdheid, bijvoorbeeld bij een duidelijke juridische of feitelijke misslag of bij een noodtoestand voor de veroordeelde. Het hof constateert dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het om een tijdelijke huurovereenkomst gaat waarop artikel 7:272 lid 1 BW Pro niet van toepassing is en dat appellante geen feiten heeft gesteld die een noodtoestand aantonen.
Ook het betoog dat geïntimeerden geen spoedeisend belang hebben bij ontruiming leidt niet tot schorsing. Het hof wijst de incidentele vordering tot schorsing af en verwijst de hoofdzaak naar een volgende rolzitting. Appellante wordt veroordeeld in de kosten van het incident.
Uitkomst: De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming wordt afgewezen.