ECLI:NL:GHAMS:2017:4813
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken valse hoedanigheid bij oplichting in horecagelegenheid
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in Amsterdam inzake oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid. Verdachte had in een horecagelegenheid consumpties besteld en probeerde deze met een pinpas te betalen, maar beschikte niet over voldoende saldo. Verdachte verzocht daarop om plaats te nemen op het terras en verklaarde later te willen proberen geld op te nemen van een spaarrekening.
De advocaat-generaal vorderde een veroordeling, stellende dat verdachte zich van aanvang als betalende klant had voorgedaan. De verdediging stelde dat de ondergrens van oplichting niet was gehaald omdat het opzet om niet te betalen niet vooraf aanwezig was.
Het hof oordeelde dat niet is gebleken dat verdachte zich valselijk als bonafide klant heeft voorgedaan. De enkele omstandigheid dat hij niet kon betalen, leidt niet tot het aannemen van een valse hoedanigheid. Er waren geen specifieke gedragingen die erop gericht waren het horecabedrijf te misleiden. Het hof sprak verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs van oplichting.
Daarnaast wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere gevangenisstraf af, aangezien verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 30 mei 2017.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van het aannemen van een valse hoedanigheid bij oplichting.