Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
“verkoper”en [appellant] als
“koper”een
“Koopovereenkomst Registergoed”getekend. Krachtens deze overeenkomst kocht [appellant] de woning voor een koopprijs van € 485.000,=, te vermeerderen met
“kosten koper”(hierna ook: de eerste koopovereenkomst). De datum van levering was gesteld op 30 juli 2013, of zoveel eerder of later als partijen overeen zouden komen.
“Koopovereenkomst Registergoed”getekend. Krachtens deze overeenkomst verkocht [appellant] de woning aan Koopwoning Vastgoed voor een bedrag van € 495.000,= kosten koper (hierna: de eerste doorverkoop).
“Ontbindingsovereenkomst [adres] ”akkoord gegaan met ontbinding van de koopovereenkomst van 18 juni 2013 waarin de eerste doorverkoop was vastgelegd, tegen betaling door [appellant] aan Koopwoning Vastgoed van een bedrag van € 75.000,=.
3.Beoordeling
Grief I in incidenteel appelis gericht tegen de verwerping door de rechtbank van dit verweer.
“De ondergetekende(n)”ABN Amro wordt vermeld als verkoper vertegenwoordigd door [C] (medewerker Lindorff), terwijl op de laatste pagina van deze koopovereenkomst onder de kop
“Verkoper”en boven de naam van [C] een stempel staat van ABN Amro. In het licht van deze vermeldingen in de eerste koopovereenkomst, heeft ABN Amro onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van [appellant] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het ABN Amro was die de woning aan hem verkocht. Naast de duidelijke bewoordingen in de koopovereenkomst geldt bovendien dat [appellant] van ABN Amro als professional mocht verwachten dat zij ervoor zou zorgen dat de aanduiding van haar hoedanigheid in de koopovereenkomst klopte. Van [appellant] kon ook geen specifieke kennis worden verwacht, in de zin dat gebruikelijk zou zijn geweest dat ABN Amro ten deze handelde als gevolmachtigde van [X] en [Y] en niet als verkoper. Dit wordt niet anders door het gegeven dat [appellant] de woning kende en wist dat [X] en [Y] hiervan eigenaars waren (geweest). Ook het gegeven dat uit de conceptleveringsakte van 2 september 2013 en de registerverklaring van 10 september 2013 bleek dat ABN Amro niet de verkoper was, staat niet aan voormeld oordeel in de weg, nu de koopovereenkomst dateerde van daarvóór (namelijk 25 februari 2013). Grief I in incidenteel appel slaagt niet.
Grief II in incidenteel appelis gericht tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op dwaling.
Grief III in incidenteel appelis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat ABN Amro hierdoor toerekenbaar is tekortgeschoten in haar leveringsverplichting.
Grief 1 in principaal appelis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het conditio-sine-qua-nonverband tussen het niet leveren van de woning uiterlijk 16 september 2013 en de door [appellant] (gestelde) misgelopen winst, niet is komen vast te staan.
Grief 2 in principaal appelis gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat deze schade van
Grief 3 in principaal appelis gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van deze vordering.