Conclusie
1.Feiten en procesverloop
initiële koopovereenkomst). Krachtens deze overeenkomst kocht de Koper de woning voor een prijs van € 485.000,-, kosten koper. De datum van levering werd gesteld op 30 juli 2013 of zoveel eerder of later als partijen overeen zouden komen.
conditio-sine-qua-non-verband bestaat (rov. 5.7 Rb). De gestelde schade met betrekking tot de contractuele boete van € 89.500,- kan volgens de rechtbank niet aan de Bank worden toegerekend op grond van art. 6:98 BW Pro (rov. 5.8 Rb) [4] .
conditio-sine-qua-non-verband (rov. 3.6), het verweer dat de schade niet op grond van art. 6:98 BW Pro kan worden toegerekend aan de Bank (rov. 3.7) en de betwisting van de omvang van de schade (rov. 3.8).
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.3, waarin het hof oordeelt dat de Bank niet voldoende gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de stelling van de Koper dat hij erop mocht vertrouwen dat de Bank de verkoper was. Het hof overweegt dienaangaande:
duidelijke bewoordingenvan de eerste koopovereenkomst, (2) de
professionele hoedanigheidvan de Bank, die meebrengt dat de Koper mocht verwachten dat de Bank ervoor zou zorgen dat de aanduiding van haar hoedanigheid in de koopovereenkomst klopte en (3) het ontbreken van bij de Koper te verwachten
specifieke kennisomtrent de hoedanigheid waarin de Bank optrad.
onderdeel 1.cten grondslag liggende stelling dat algemeen bekend mag worden verondersteld dat niet gebruikelijk is dat een grootbank zoals deze Bank particuliere woningen in eigendom heeft. Aansluitend is het hof ingegaan op twee andere tegenwerpingen van de Bank. Het hof overwoog dat “Dit” – dat wil zeggen het ontbreken van de onder (3) bedoelde specifieke kennis – niet anders wordt door het gegeven dat de Koper de woning kende en wist dat de eigenaren hiervan eigenaars waren (of waren geweest). Dat is de stelling die ten grondslag ligt aan
onderdeel 1.b. Ten slotte heeft het hof verduidelijkt dat aan zijn oordeel niet in de weg staat dat uit de conceptleveringsakte van 2 september 2013 en de registerverklaring van 10 september 2013 te kennen was dat de Bank niet de verkopende partij was. Hiermee verwerpt het hof de stellingname die in
onderdeel 1.awordt herhaald. Het hof motiveert laatstgenoemd oordeel met de overweging dat de koopovereenkomst dateerde van vóór de concept-leveringsakte en de registerverklaring.
bevoegdis. Daarnaast is nodig dat die persoon kenbaar
in naam van een anderhandelt. Het kenbaarheidsvereiste houdt hierbij in, dat de wederpartij uit verklaringen of gedragingen van de handelende persoon moet kunnen afleiden dat deze niet zichzelf, maar een ander beoogde te binden [8] . Het is in beginsel aan de handelende persoon om die kenbaarheid te stellen en, bij betwisting, te bewijzen [9] .
schriftelijkcontract worden aangegaan, zal het zelden de vraag rijzen of de handelende partij al dan niet als vertegenwoordiger optreedt. Gewoonlijk worden de namen van de contractspartijen duidelijk vermeld in (de aanhef van) het contract. In beginsel, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, zullen contractspartijen mogen afgaan op die vermelding [10] .
volmachtbeschikt, betekent evenmin dat deze persoon slechts de volmachtgever zou kunnen binden en niet zichzelf [11] . De vraag of de handelende persoon in eigen naam dan wel namens een ander heeft gecontracteerd, moet worden beantwoord aan de hand van de wils/vertrouwensleer (zie art. 3:33 en Pro 3:35 BW). Het betreft hier een oordeel van feitelijke aard. De omstandigheid dat de wederpartij
wistdat degene met wie zij handelde dit ten behoeve van een ander deed, sluit niet uit dat de wederpartij toch erop mocht vertrouwen dat de tussenpersoon alleen zichzelf beoogde te binden [12] . In dat geval is sprake van wat in de vakliteratuur ‘middellijke vertegenwoordiging’ wordt genoemd: de tussenpersoon contracteert weliswaar
in eigen naam, maar voor rekening van een ander [13] .
naderhanddoor een ander (
de notaris) opgestelde stukken, waarvan de inhoud geen uitsluitsel geeft over de bedoelingen en gerechtvaardigde verwachtingen van partijen, in de zin van art. 3:33 en Pro 3:35 BW. Op het terrein van contractsuitleg is aanvaard dat de wijze waarop partijen (zelf) feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst, een relevant gezichtspunt kan vormen bij de vaststelling van hetgeen partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan [20] . Collega Valk noemt dit de “dynamische uitleg” en acht deze methode van uitleg met name van belang voor duurovereenkomsten, omdat de wijze waarop partijen zich in de uitvoeringsfase gedragen, ertoe kan leiden dat de overeenkomst “van inhoud wijzigt”. [21]
in situaties zoals deze, waarin − na aankondiging van een executie-veiling – alsnog wordt gekozen voor verkoop onderhands. De rechtbank had in rov. 5.1 van het eindvonnis eveneens beslist dat de Koper niet behoefde te begrijpen dat de vermelding in het koopcontract van de Bank als verkoper niet strookte met de wil van de Bank, nu de Koper de woning aanvankelijk “in de etalage had zien staan voor een executoriale verkoop”. Dat banken
in het algemeengeen particuliere woningen plegen te verkopen (en dat dit algemeen bekend zou zijn), doet in de redenering van het hof niet ter zake. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.
condicio-sine-qua-non-verband tussen de gebeurtenis en de schade rust de stelplicht in beginsel op de partij die de schade stelt te hebben geleden. Wat betreft de toerekeningsvraag ligt dit minder eenvoudig, omdat de toerekening zowel feitelijke als juridisch-normatieve bestanddelen heeft. Voor het antwoord op de vraag op wie de stelplicht en de bewijslast berusten, hangt veel af van de vraag door wie en in welke context een beroep wordt gedaan op een bepaalde toerekeningsfactor [23] . Een voorbeeld hiervan levert een arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 1998 [24] .
conditio-sine-qua-non-vereiste [25] . De rechtbank heeft de schadevordering, voor zover betrekking hebbend op deze contractuele boete, afgewezen op grond van art. 6:98 BW Pro, met als voornaamste argument dat de bank “niet van de boetebepaling kon weten”, waardoor de betreffende schade voor haar “niet voorzienbaar” was (rov. 5.8 Rb).
mogelijkheidvan een doorverkoop. De in het middelonderdeel genoemde omstandigheden doen daaraan volgens het hof niet af. Toegespitst op de eerste omstandigheid overweegt het hof in de tweede alinea van rov. 3.7 dat de Bank onvoldoende heeft onderbouwd dat zij geen rekening ermee hoefde te houden dat de koper “mogelijk andere plannen met de woning had ontwikkeld”. Ter nadere onderbouwing wijst het hof (mede) op het door de koper verkregen uitstel van de leverdatum. Tegen deze achtergrond valt ook te begrijpen waarom het hof de tweede omstandigheid – het niet melden aan de Bank van de doorverkoop – onvoldoende zwaarwegend heeft geacht [33] . Volgens het hof had de bank
zonder meerrekening moeten houden met de mogelijkheid van een doorverkoop als deze. Dit oordeel berust op een waardering van de feiten die niet onbegrijpelijk is.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Onderdeel aklaagt dat dit veronderstelde oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stellingen van de Koper ter onderbouwing van zijn standpunt dat de Bank optrad als de verkoper, althans dat hij daarop mocht vertrouwen. Ook verwijst het middelonderdeel naar de gronden waarop het hof dat standpunt in rov. 3.3 heeft gehonoreerd. Daarmee is volgens de klacht niet verenigbaar dat de koopovereenkomst toch is gesloten namens de eigenaren, althans dat dit de bedoeling van de Bank was.
Onderdeel bklaagt, hierop voortbouwend, dat het hof de Haviltex-maatstaf en de wils/vertrouwensleer heeft miskend, althans dat het oordeel in het licht daarvan onbegrijpelijk is.