In hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter te Amsterdam heeft het gerechtshof Amsterdam op 28 november 2017 uitspraak gedaan in de zaken met parketnummers 81-069618-15 en 81-069536-15. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk inzamelen van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen zonder vermelding op een lijst van erkende inzamelaars.
De verdediging voerde onder meer aan dat de verklaring van de verdachte niet als bewijs mocht dienen vanwege taalproblemen en het ontbreken van een tijdige waarschuwing omtrent het recht op een advocaat, maar het hof verwierp dit bewijs niet alleen, maar gebruikte het ook niet. Daarnaast stelde de verdediging dat het handelen van de verdachte niet onder de Wet milieubeheer viel omdat er geen sprake was van inzamelen, maar dit werd door het hof weerlegd op basis van de bewijsmiddelen.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 4 november 2014 en 9 februari 2015 te Amsterdam opzettelijk bedrijfsafvalstoffen inzamelde zonder erkenning. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €1.000,00 en 20 dagen hechtenis, waarbij de hechtenis kan worden vervangen door betaling. Tevens werd de in beslag genomen bestelauto verbeurd verklaard omdat deze werd gebruikt bij het plegen van het strafbare feit.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij voor hetgeen niet bewezen kon worden verklaard. De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de recidive van de verdachte en het belang van milieubescherming.