ECLI:NL:GHAMS:2017:5114

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 november 2017
Publicatiedatum
8 december 2017
Zaaknummer
23-002370-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n SrArt. 77x Sr
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep diefstal met braak van fietsen uit kelderbox

In deze jeugdzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam. De verdachte werd verdacht van diefstal met braak in vereniging, waarbij twee fietsen uit een kelderbox werden ontvreemd. Het hof achtte de herkenning van de verdachte op bewakingsbeelden betrouwbaar en bevestigde de bewezenverklaring van het feit.

De kinderrechter had een voorwaardelijke werkstraf van 20 uur met subsidiair 10 dagen jeugddetentie opgelegd. De advocaat-generaal vorderde deze straf ongewijzigd. Het hof oordeelde echter dat de straf onvoldoende recht deed aan de ernst van het feit, mede gelet op de gevoelens van onveiligheid die dergelijke misdrijven veroorzaken en het ontbreken van eerdere veroordelingen van de verdachte.

Na beoordeling van rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, besloot het hof een deels voorwaardelijke werkstraf van 40 uur op te leggen, waarvan 20 uur daadwerkelijk moet worden uitgevoerd en 20 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Indien de werkstraf niet naar behoren wordt verricht, wordt deze vervangen door 20 dagen jeugddetentie. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf van 40 uur met 20 dagen jeugddetentie als vervangende straf.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002370-17
datum uitspraak: 16 november 2017
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13‑208951-15 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof
- de aanhef van het derde bewijsmiddel als volgt verbeterd leest:
Een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL1300-2015067349—12 van 22 september 2016, opgemaakt door [verbalisant] van de Politie Eenheid Amsterdam.
- de hiernavolgende bewijsoverweging toevoegt.

Bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof waargenomen dat de gelaatstrekken van de persoon die door verbalisant [verbalisant] is herkend als de verdachte zowel op de (bewegende) beelden van 22 februari 2015 als op die van 21 maart 2015 goed herkenbaar in beeld zijn. Dit geldt ook voor het moment waarop deze persoon met een capuchon op in de bewuste boxgang te zien is met een fiets. Dit betekent dat het hof de herkenningen van verdachte door verbalisant [verbalisant] betrouwbaar acht.

Oplegging van straf

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door met anderen in te breken in een kelderbox, behorend bij een woning en daar twee fietsen weg te nemen, heeft de verdachte het slachtoffer schade en overlast bezorgd. De verdachte heeft voor de belangen van het slachtoffer kennelijk geen enkel oog gehad en was slechts uit op financieel gewin. Daarbij komt dat dergelijke misdrijven bij de gedupeerden en meer in het algemeen gevoelens van onveiligheid veroorzaken.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2017 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de verdachte betreffende rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 26 februari 2016 en 20 oktober 2017, alsmede op de ter terechtzitting in hoger beroep door een vertegenwoordiger van de Raad ten aanzien van verdachtes persoonlijke omstandigheden gegeven toelichting. Hieruit komt naar voren dat er op zichzelf geen zorgen zijn omtrent de verdachte.
Het hof is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de door de eerste rechter opgelegde en door de advocaat-generaal thans gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van het feit. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals de Raad ter zitting heeft geadviseerd en de verdediging voorstaat, is wat het hof betreft niet aan de orde. De verdachte heeft zich immers samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Daar moet, mede uit pedagogisch oogpunt, een voor de verdachte merkbaar strafrechtelijk gevolg aan worden gegeven. Dat de pleegdatum al in een wat verder verleden ligt doet daar niet aan af. De Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging, geven bij dergelijke feiten onvoorwaardelijke werkstraffen als vertrekpunt. In beginsel acht het hof voor dit feit en deze verdachte een geheel onvoorwaardelijke werkstraf van na te noemen duur op zijn plaats. In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet het hof echter aanleiding die werkstraf deels voorwaardelijk op te leggen.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
werkstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot
20 (twintig)uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.G. Hijink, mr. R.D. van Heffen en mr. P.F.E. Geerlings, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 november 2017.