Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, kreeg voor de jaren 2010 en 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd door de inspecteur, inclusief een verzuimboete en heffingsrente. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de inspecteur terecht had afgezien van het horen van belanghebbende, omdat deze niet binnen de gestelde termijn had gereageerd op de uitnodiging om te worden gehoord.
In hoger beroep betoogt belanghebbende dat zij wel degelijk gebruik wenste te maken van haar hoorrecht, zoals reeds in het pro forma bezwaarschrift was aangegeven, en dat de inspecteur abusievelijk een brief met een onjuiste postcode had verzonden waardoor de uitnodiging mogelijk niet was ontvangen. Het Hof stelt vast dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inspecteur mocht afzien van het horen op grond van artikel 7:3, letter d, Awb, omdat belanghebbende expliciet om een hoorzitting had verzocht.
Het Hof oordeelt dat de inspecteur de zaak opnieuw moet behandelen en een nieuwe beslissing moet nemen, waarbij belanghebbende de gelegenheid moet krijgen te worden gehoord. Tevens veroordeelt het Hof de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende en gelast de inspecteur het betaalde griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het bezwaar vernietigd, en de zaak terugverwezen voor nieuwe beslissing met inachtneming van het hoorrecht.