ECLI:NL:GHAMS:2017:5289
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering tot verwijdering BKR-registratie na niet-indienen verzoekschrift rechtbank
Appellant had een hypothecaire lening bij ING en raakte in betalingsachterstand, waarna ING een BKR-registratie plaatste. Na faillissement en executoriale verkoop bleef een restschuld openstaan die later door een incassogemachtigde werd geïncasseerd. Appellant verzocht ING om verwijdering van de BKR-registratie na betaling van de schuld, maar dit verzoek werd afgewezen.
Volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) had appellant binnen zes weken na de afwijzing een verzoekschrift bij de rechtbank moeten indienen om ING te bevelen de registratie te wijzigen. Dit is niet gebeurd. Het hof oordeelde dat appellant daardoor niet ontvankelijk is in zijn vorderingen, ook niet in kort geding.
Het hof vernietigde het bestreden vonnis, behalve de proceskostenveroordeling, verklaarde appellant niet ontvankelijk en veroordeelde hem in de kosten van het hoger beroep. De zaak benadrukt het belang van het volgen van de juiste procedure bij geschillen over kredietregistraties.
Uitkomst: Appellant is niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot verwijdering van de BKR-registratie wegens het niet tijdig indienen van een verzoekschrift bij de rechtbank.