Conclusie
1.Inleiding
Voorgeschiedenis
vormvan dat beroep een tot de burgerlijke rechter gericht verzoekschrift is; (ii) dat de regering toen de termijn van twee maanden beschouwde als een regel van openbare orde waarop de rechter ambtshalve behoort te letten.
bestuursrechter: die termijn volgt uit artikel 6:7 Awb Pro. Kennelijk heeft de wetgever de (voordien in de Wpr op acht weken gestelde) termijn voor indiening van het verzoekschrift bij de burgerlijke rechter gelijk willen trekken met de termijn waarbinnen een beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter en daarom op zes weken gesteld. [28] Richtlijn 95/46/EG is ingetrokken met ingang van de dag waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) [29] van toepassing werd, op 25 mei 2018.
- Gerechtshof Amsterdam 2 februari 2016 (ECLI:NL:GHAMS:2016:358, rov. 2.4 – 2.5) betrof het verzoek aan een ziekenhuis tot inzage van medische informatie. Het verzoekschrift in eerste aanleg was niet ingediend binnen de termijn van artikel 46 lid 2 Wbp Pro en daarom niet-ontvankelijk.
- Gerechtshof Amsterdam 11 juni 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:1957, rov. 3.4 – 3.5) betrof een verzoek tot verwijdering van persoonsgegevens. Het verzoekschrift in eerste aanleg werd niet ingediend binnen de termijn van artikel 46 lid 2 Wbp Pro en was daarom in beginsel niet-ontvankelijk. Het hof achtte wel mogelijk dat de appellante opnieuw een verzoek aan de verantwoordelijke doet, waarna zij zich alsnog (tijdig) tot de rechtbank kan wenden. Om ‘proceseconomische redenen’ gaf het hof toch een inhoudelijke beoordeling.
- Rechtbank Den Haag 27 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:12154) betrof een geval waarin de termijn als bedoeld in artikel 35 lid 2 UAVG Pro was verstreken. De rechtbank besprak de vraag of het mogelijk is opnieuw een verzoek aan de houder te doen tot verwijdering van gegevens en, bij weigering daarvan, een nieuw verzoekschrift als bedoeld in artikel 35 lid 1 UAVG Pro bij de rechtbank in te dienen. De rechtbank uitte het voornemen hierover zes vragen te stellen aan het HvJ EU, waarvan de eerste drie luidden als volgt:
1. In dit geval heeft een betrokkene met een beroep op de artikelen 21, lid 1 en 17, lid 1 onder c van de AVG bij een verwerkingsverantwoordelijke (in dit geval Google) een nieuw verzoek gedaan tot het verwijderen van bepaalde zoekresultaten die via een internetzoekmachine (zoals die van Google) bij een zoekopdracht op zijn naam worden verkregen, nadat een eerder verwijderingsverzoek voor diezelfde zoekresultaten op grond van artikel 12, lid 4 AVG door Google is afgewezen. In artikel 21, lid 1 van de AVG is bepaald dat een betrokkene te allen tijde het recht heeft om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder f van de AVG. Moet artikel 21, lid 1, van de AVG – en dan met name de daarin opgenomen toevoeging ‘te allen tijde’ – aldus worden uitgelegd dat het een betrokkene ook is toegestaan om na ontvangst van een afwijzende beslissing van Google op een verzoek tot verwijdering van bepaalde zoekresultaten, een herhaald verwijderingsverzoek in te dienen, dat wil zeggen een verzoek waarbij om verwijdering van dezelfde zoekresultaten wordt verzocht, zonder dat daarbij – anders dan het tijdsverloop – met betrekking tot de situatie van de betrokkene gewijzigde feiten of omstandigheden zijn aangevoerd ten opzichte van het eerdere (afgewezen) verzoek?
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 januari 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:126, rov. 5.8 – 5.9) betrof eveneens een vordering in kort geding tot verwijdering van persoonsgegevens. Ten tijde van de behandeling in hoger beroep was de beroepstermijn van artikel 35 lid 2 UAVG Pro ongebruikt verstreken. Het hof bekrachtigde de afwijzing van de vordering door de voorzieningenrechter en overwoog daarbij:
- “Op zichzelf staat de bijzondere rechtsgang van artikel 35 UAVG Pro niet eraan in de weg dat vragen over de verwerking van persoonsgegevens in een kort geding aan de rechter worden voorgelegd. De eiser zal zijn spoedeisend belang in dat geval moeten onderbouwen tegen de achtergrond van het stelsel van artikel 21 en Pro 35 UAVG. Dat stelsel berust op de gedachte dat partijen eerst zelf proberen tot overeenstemming te voorkomen en dat de belanghebbende bij een afwijzende reactie slechts beperkte tijd heeft om zijn bezwaren daartegen aan de rechter voor te leggen. Het stelsel strekt mede ertoe te voorkomen dat de verwerkingsverantwoordelijke rauwelijks of lange tijd nadat het verzoek is afgewezen, wordt gedagvaard. Een verzoek op grond van artikel 21 AVG Pro kan te allen tijde en meermalen worden gedaan. Een belanghebbende zal na het verstrijken van de termijn van artikel 35 lid 2 UAVG Pro in beginsel eerst een nieuw verzoek op grond van artikel 21 AVG Pro moeten indienen.”
bevoegdheidvan de kortgedingrechter niet ter discussie.
extramogelijkheid voor de betrokkene om de weigering van de verwerkingsverantwoordelijke door de rechtbank te laten toetsen in een eenvoudige (en door het ontbreken van verplichte rechtsbijstand niet al te kostbare) procedure, zou de betrokkene de verzoekschriftprocedure van artikel 35 UAVG Pro kunnen overslaan. [54] Bij aanvaarding van deze laatste opvatting behoeven aan de (spoedeisendheid van de) vordering in kort geding geen hogere eisen te worden gesteld dan die, welke in het algemeen in een kort geding gelden. [55]
hun specifieke situatie,bezwaar maken tegen het (verder) verwerken van hun persoonsgegevens op de grondslag van artikel 6, lid 1 onder e of f, AVG. [60] In artikel 6, lid 1 onder f, ligt een afweging besloten. Mede daardoor is onduidelijk of, en zo ja in hoeverre, het resultaat van de belangenafweging in de (door het verstrijken van de termijn in artikel 35 lid 2 UAVG Pro onaantastbaar geworden) beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke doorwerkt in de beoordeling van ieder volgend verzoek dat (ook) op artikel 21 lid 1 AVG Pro wordt gebaseerd en dat op dezelfde persoonsgegevens betrekking heeft.
2.Feiten en procesverloop
3.Middel van cassatie
middel van cassatiewordt voorgedragen: schending althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van het bepaalde in artikel 35 UAVG Pro en/of artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en/of de artikelen 6, 12, 15 tot en met 22 en 79 AVG in verbinding met artikel 16 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
in beginselin die vordering niet ontvankelijk is (rov. 3.4.5);
op zichniet verhindert dat vragen over de verwerking van persoonsgegevens in kort geding aan de voorzieningenrechter worden voorgelegd. Volgens rov. 3.4.5 is dit in beginsel anders wanneer de gevorderde voorlopige voorziening strekt tot staking van de verwerking van bepaalde persoonsgegevens en de verwerkingsverantwoordelijke is gedagvaard nadat de beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke is ontvangen en de termijn in artikel 35 lid 2 UAVG Pro om daartegen beroep in te stellen is verstreken.
quasi) formele rechtskracht toekomt. Het antwoord op de vraag of nodig is dat eiseres in dit kort geding nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert, hangt daarmee samen.