Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Verdere beoordeling
grieven VII en VIIIhebben betrekking op een aantal door de kantonrechter bij het bestreden eindvonnis toegewezen schadeposten, alle deel uitmakend van de post mutatieschade ter grootte van (na verrekening van de waarborgsom) € 7.499,71. Het hof zal in het navolgende de formuleringen hanteren, zoals vermeld op het door Bamtro als productie E17 overgelegde kostenoverzicht van Renthouse. Tussen haakjes wordt daarbij dan, waar nodig, telkens vermeld het door Bamtro ter adstructie van die post overgelegde stuk, met het productienummer.
“logisch(is)
dat bij het wisselen van huurder nieuw beddengoed wordt aangeschaft”,het stond [appellant] niet vrij zich dit beddengoed toe te eigenen althans uit de woning te verwijderen en evenmin de boxspring onbruikbaar te maken. Uit niets blijkt echter dat Bamtro (Renthouse) vervolgens deze zaken wederom heeft aangeschaft en welk bedrag zij daarvoor dan zou hebben betaald. De overgelegde bonnen betreffen immers alle in 2008 aangeschafte zaken, waarbij bovendien (behalve ten aanzien van de boxspring) onduidelijk is of deze vervolgens door (het gezin van) [appellant] zijn gebruikt. Alles afwegende acht het hof te dezen naar redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding van € 200,= passend voor het beddengoed/de boxspring, en € 100,= voor het bed textiel. Het meer gevorderde € 150,= en € 152,12, zal derhalve alsnog worden afgewezen.
“het bankstel en de twee stoelen (…) dusdanig vies en beschadigt[zijn]
dat deze niet meer voor gebruik kunnen blijven staan”. Voorts acht het hof op grond van de factuur van Wulf Meubelen voldoende aannemelijk dat Renthouse in december 2007 ten behoeve van de woning een bank en twee fauteuils tot een totaalbedrag van € 2.437,= heeft aangeschaft. Anderzijds geldt ook hier dat uit niets blijkt dat Bamtro (Renthouse) deze zaken na de huur door [appellant] opnieuw heeft aangeschaft. Mede in aanmerking nemend dat [appellant] de woning gemeubileerd heeft gehuurd en dat daarom op de aanschafprijs van de meubelen diende te worden afgeschreven, acht het hof te dezen naar redelijkheid en billijkheid een schadevergoeding van € 1.750,= passend. Het meer gevorderde, € 687,=, is dan ook ten onrechte toegewezen.