Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
grief Ifaalt.
grief II,
grief IIIen
grief IVtevergeefs zijn voorgesteld.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond een geschil centraal over de toepassing en matiging van een boetebeding in een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte. De huurder had vanaf eind 2012 de huur niet tijdig voldaan, waardoor een aanzienlijke betalingsachterstand was ontstaan. De verhuurder vorderde betaling van de achterstallige huur, contractuele boetes, incassokosten en proceskosten.
De huurder betoogde dat de richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen niet van toepassing was omdat hij als kleine ondernemer niet gelijkgesteld kon worden met een consument. Tevens stelde hij dat het boetebeding onaanvaardbaar was en matiging behoefde. Het hof oordeelde dat de richtlijn niet van toepassing was omdat het ging om een bedrijfsmatige handeling en dat het boetebeding niet onaanvaardbaar was op grond van redelijkheid en billijkheid. Ook vond het hof onvoldoende grond voor matiging van de boete.
Het hof verwierp de grieven van de huurder en bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, waarbij de huurder werd veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, de boetes en de proceskosten. Het hof wees ook het bewijsaanbod van de huurder af wegens onvoldoende specificatie en onvoldoende onderbouwing van andere feiten.
De uitspraak bevestigt dat boetebedingen in zakelijke huurovereenkomsten ook bij wanbetaling en zonder afzonderlijke onderhandeling stand kunnen houden, mits niet onaanvaardbaar volgens redelijkheid en billijkheid, en dat matiging slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de huurder tot betaling van achterstallige huur, boetes en proceskosten.