Uitspraak
1.[geïntimeerde sub 1] ,
1.Het geding in hoger beroep
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven en/of akte vermeerdering van eis in incidenteel appel, met producties;
- memorie van antwoord in incidenteel appel;
- akte, met producties, van de zijde van [appellant] .
5/01 in plaats van 200.209.05
6/01.
2.Feiten
3.Beoordeling
grief 1 in principaal appelbetoogt [appellant] dat de gewone rechter (dus thans het hof) onbevoegd is van de zaak kennis te nemen omdat artikel 18 van Pro de akte bepaalt dat alle geschillen tussen partijen over de uitleg van de overeenkomst of over enige zaak die niet in de overeenkomst is geregeld, uitsluitend en in hoogste ressort beslist zullen worden door een arbiter. De grief faalt omdat [appellant] zich pas voor het eerst in hoger beroep op het onderhavige arbitragebeding beroept, zulks terwijl hij in eerste aanleg (ten principale) verweer heeft gevoerd. Waar [appellant] zich baseert op een arrest van dit hof van 4 augustus 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3170), ziet hij over het hoofd dat de gedaagde in die zaak weliswaar was verschenen maar – volgens het hof in die zaak – “de facto geen verweer heeft gevoerd”. Het beroep op arbitrage is dus tardief (art. 1022 lid 1 Rv Pro) en de primaire vordering van [appellant] zal daarom worden afgewezen.
slechts”plaatsvinden
“indien naar redelijkheid en billijkheid van de overige bewoners niet mag worden verlangd dat zij de gegadigde in hun midden opnemen”. Uitganspunt is dus, zoals [appellant] ook stelt, het vrije gebruiksrecht van de eigenaar. Dat recht kan volgens de toepasselijke bepaling uit de akte alleen dan worden ingeperkt indien van de overige bewoners “naar redelijkheid en billijkheid” niet kan worden verlangd de gegadigde in hun midden op te nemen. Naar het oordeel van het hof veronderstelt een dergelijke uitzonderingsbepaling een volle toetsing en niet slechts een marginale. Deze klacht van [appellant] is dan ook gegrond.
grief 3 in principaal appel, gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de (reconventionele) vordering van [appellant] tot het gelasten van [geïntimeerden] alsnog en met terugwerkende kracht toestemming tot de verhuur aan [X] te geven, op de
grief in incidenteel appel, gericht tegen de maximering van de door [appellant] aan [geïntimeerden] te betalen boeten, en op de door [geïntimeerden] voor het eerst in appel ingestelde vordering tot het verbinden van een dwangsom aan het (nog langer) door [appellant] in gebruik geven van het bovenappartement aan [X] .
exequatur) van het arbitrale vonnis heeft verzocht en ii) het arbitrale vonnis (met
exequatur) op de voet van art. 1056 (oud) jo art. 611a lid 3 Rv (oud) aan [geïntimeerden] heeft laten betekenen.