ECLI:NL:GHAMS:2018:1058
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte wegens te laat ingesteld hoger beroep na in persoon betekende dagvaarding
De verdachte werd in eerste aanleg bij verstek veroordeeld door de politierechter in Amsterdam op 10 juli 2017. De dagvaarding was op 16 april 2017 in persoon aan de verdachte betekend. De verdachte stelde het hoger beroep niet binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het vonnis in, maar pas op 18 augustus 2017.
De raadsman voerde aan dat de vordering tot tenuitvoerlegging (TUL) niet in persoon was betekend en dat de verdachte daarom ontvankelijk zou moeten zijn in hoger beroep, zij het alleen voor de beslissing op de TUL-vordering. Het hof oordeelde echter dat de beslissing op de TUL-vordering deel uitmaakt van het vonnis in de hoofdzaak en dat tegen deze beslissing geen afzonderlijk hoger beroep mogelijk is.
Verder oordeelde het hof dat er geen sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de beroepstermijn, omdat de verdachte tijdig had moeten informeren over de uitkomst van de zaak waarvan de behandeldatum bekend was. Ook het feit dat de verdachte in een proeftijd verkeerde, maakte het onredelijk om te vertrouwen dat alleen de hoofdzaak zou worden behandeld.
Het hof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.