De huurovereenkomst betrof een winkelpand met bovenwoning, bestemd als café en woning, waarbij schriftelijke toestemming van de verhuurder vereist was voor gebruik door derden. De huurder gaf het café feitelijk in gebruik aan zijn broer en de bovenwoning aan derden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder.
De verhuurder stelde dat dit een ernstige tekortkoming was en vorderde ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter wees deze vordering toe, wat in hoger beroep werd bevestigd. Het hof oordeelde dat de broer en het nichtje van de huurder als derden gelden en dat het ontbreken van schriftelijke toestemming een tekortkoming oplevert. De stelling dat de verhuurder op de hoogte was, werd onvoldoende onderbouwd.
De belangen van de broer, die de exploitatie feitelijk voerde, blijven buiten beschouwing bij de beoordeling van de uitzonderingsgevallen voor ontbinding. De gevolgen van ontbinding zijn vooral voor de broer nadelig, maar voor de huurder niet te zwaar. De ontbinding en ontruiming worden daarom bevestigd, met een aangepaste ontruimingstermijn van zes maanden na betekening van het arrest.