Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
Mondelinge toelichting
Uit het verslag van 23 november 2015:
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van het geschil
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende heeft tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2013 hoger beroep ingesteld nadat de rechtbank deels zijn bezwaar tegen de belastingrente had toegewezen. De navordering is gebaseerd op een door belanghebbende zelf verzochte wijziging van de onderlinge verhouding van gemeenschappelijke inkomens- en vermogensbestanddelen met zijn partner, ingediend via een herziene aangifte.
Het hof oordeelt dat de navordering terecht is opgelegd zonder dat sprake is van een nieuw feit, aangezien artikel 16 lid 2 AWIR Pro navordering toestaat bij dergelijke herverdeling. Er is geen ambtelijk verzuim, omdat de inspecteur niet op de hoogte was van de herziene aangifte bij het vaststellen van eerdere verminderingsbeschikkingen. De belastingrente is correct berekend en er zijn geen bijzondere omstandigheden om deze te verminderen.
Belanghebbende is op rechtmatige wijze uitgenodigd om te worden gehoord tijdens de bezwaarprocedure. Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de inspecteur wordt afgewezen vanwege het ontbreken van concrete feiten en omstandigheden. Ook het verzoek om vergoeding van werkelijke proceskosten wordt verworpen. Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag met belastingrente wordt bevestigd zonder toekenning van schadevergoeding of werkelijke proceskosten.