ECLI:NL:GHAMS:2018:2430

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
12 juli 2018
Publicatiedatum
16 juli 2018
Zaaknummer
23-000944-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en bevestiging niet-ontvankelijkheid vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze strafzaak vorderde het openbaar ministerie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de verdachte, geschat op €150.082,00, later gematigd tot €136.982,00. De verdachte werd door de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van het ten laste gelegde en de officier van justitie werd niet ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.

Het openbaar ministerie stelde hoger beroep in tegen zowel de vrijspraak als de niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep na meerdere zittingen op 8 september 2017, 26 juni 2018 en 28 juni 2018, waarbij zowel de advocaat-generaal als de raadsman van de verdachte hun standpunten naar voren brachten.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, waarbij het de vrijspraak van de verdachte handhaafde en de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingsvordering bevestigde. De beslissing omtrent de benadeelde partijen werd in hoger beroep heropend. Het arrest werd uitgesproken op 12 juli 2018 door een meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken en de officier van justitie is niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000944-15 (ontneming)
Datum uitspraak: 12 juli 2018
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2015 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-845109-07 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
adres: [adres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 150.082,00. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal de vordering gematigd tot een bedrag van € 136.982,00.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2015 in de strafzaak vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 25 februari 2015 de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 12 juli 2018 het vonnis van de rechtbank in de strafzaak
bevestigd, met uitzondering van de beslissing inzake de benadeelde partijen die zich in hoger beroep opnieuw hebben gevoegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 september 2017, 26 juni 2018 en 28 juni 2018 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. N.A. Schimmel en mr. R.P. den Otter, in tegenwoordigheid van mr. A. Scheffens, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 juli 2018.